Geplaatst op

Leesproef 1000 nachten ter ere van Internationale Vrouwendag

Ter ere van Internationale Vrouwendag én om te vieren dat 1000 nachten op de shortlist van The Indie Awards staat trakteer ik jullie vandaag integraal op het eerste hoofdstuk van 1000 nachten.

Madame LaSoeur is zonder meer de sterkste vrouw die tot op heden uit mijn pen vloeide. Tevens is zij de eerste vrouw aan wie ik een roman wijdde. Het is dus niet vreemd dat ze weigert om me los te laten. Enjoy!

I/1

Achter mij nadert het doffe dreunen van paardenhoeven. Mijn voeten glijden weg. Het losse zand van de woestijnduinen biedt nauwelijks houvast. Ik verlies mijn evenwicht, maar weet ternauwernood te voorkomen dat ik gestrekt ga en klauter op handen en voeten tegen het wegglijdende zand op. Ik zag zonet mijn kans schoon toen de in indigo gehulde mannen op hun knieën zaten te bidden, zoals ze bij elke schemering en morgenstond doen. Dit is mijn laatste kans om aan de mannen die mijn karavaan overvielen te ontsnappen en ik grijp hem bij zijn kladden.

De vrouwen uit mijn gevolg die eveneens een vluchtpoging wagen worden door de indigo rovers ingesloten en overmeesterd. Enkelen van hen verweren zich fel. Ze laten zich niet langer gedwee gevangenhouden. Met hun blote handen gaan ze de overweldigers te lijf. Hun moed zorgt voor de afleiding die ik nodig heb om mijn voorsprong verder uit te bouwen.

Lang niet alle vrouwen die onder de vlag van het huis Barlieux reizen zijn zo dapper. De drie dienstmaagden bijvoorbeeld die in deze woestenij zijn geboren, zijn vervuld met een ongezonde angst voor de indigo rovers. Blauwe Lijken, zo noemen zij ze, verschijningen waarover met gedempte stem rond het kampvuur wordt gesproken, dienaren van een meedogenloze zwarte koningin die aan het hoofd staat van een leger van bloedhongerige vrouwen.

Ik ben er de persoon niet naar om in dergelijke sprookjes te geloven, ook al ben ik bekend met soortgelijke vertellingen over van mensenbloed afhankelijke wangedrochten. Maar sinds de blauwe mannen mijn karavaan overvielen, komt het me voor dat ik die fabeltjes even dorstig in me had moeten opnemen als de andere lessen waarin de dienstmaagden van mijn toekomstige echtgenoot mij kwamen onderwijzen. Ik had die niet op voorhand als op sensatie beluste vertellingen van de hand mogen wijzen.

Hoe het ook zij, de Blauwe Lijken schromen niet om geweld te gebruiken. Tot nu toe behandelden ze hun gevangenen met respect, maar die tijden zijn voorbij. Ik sluit me af voor de pijnkreten die de avondlucht doorklieven. Het blijft deze keer niet bij een oorvijg die de vrouwen in het gareel slaat.

Sommigen van hen ken ik sinds mijn geboorte. Het idee om ze achter te laten verscheurt me, maar ze verwachten dat ik deze kans benut. De kleine voorsprong die ik heb mag ik niet kwijtspelen.

Slechts een van de rovers is op zijn paard gesprongen om de achtervolging in te zetten. Ik ben immers maar een bediende, niet meer mankracht waard. De grote schat van de karavaan is veiliggesteld. Haar rijkversierde bruidsstoel staat beneden in de duinpan, omringd door een handjevol Blauwe Lijken. Hoe groot de chaos ook wordt, zij wijken niet van hun plek. Ze bewaken de draagstoel, zodat de vracht hun niet ontglipt. Tegelijkertijd dragen zij er zorg voor dat niemand die benadert. In de draagstoel bevindt zich de mooiste vrouw van het hoog-Noorden. Tenminste, dat denken de Blauwe Lijken.

Die vrouw is onderweg naar haar bruidegom. De verhalen over haar onmetelijke schoonheid zijn haar vooruitgesneld en hebben haar tot het doelwit van de woestijnrovers gemaakt.

Dagen geleden overvielen zij de karavaan. Sindsdien leven mijn gevolg en ik in angst. Angst dat ze ontdekken wie ik werkelijk ben, angst dat ze genoeg van ons krijgen en ons zonder pardon over de kling jagen, net zoals ze deden met de mannen die de huwelijksstoet begeleidden. Of erger …

Man en paard zwoegen in mijn kielzog. De ruiter laat zijn zweep door de lucht ketsen. De knal is bedoeld om mij tegen te houden, niet om zijn rijdier aan te sporen. Hij brult een commando in die vreemde taal waarin de rovers onderling spreken. Zijn stem klinkt gehavend, rauw als gescheurd vlees. Ik zou hem waarschijnlijk ook niet verstaan als ik zijn taal sprak.

Het is een bekeken zaak, maar ik geef niet op. Ik richt mijn aandacht op de top van de zandheuvel en ploeter verbeten voort. De opgehoopte berg stuifzand is immens en ik betwijfel of het me gaat lukken hem te bedwingen. Maar ik moet. Daarachter wacht de redding. Einar en Harald hebben meer dan voldoende tijd gehad om mijn toekomstige echtgenoot te bereiken. Gezamenlijk zullen ze mij en mijn gevolg uit de klauwen van de overvallers redden. Zij zullen niet toestaan dat die woestelingen ons naar de rode rotspartij voeren die vandaag aan de horizon opdook. Die rotsen zijn onze eindbestemming, de plek waar de gemaskerde mannen zich elke zonsopgang en -ondergang naartoe buigen om te bidden. Als ze me daarnaartoe leiden is alles verloren, dan val ik in handen van de persoon die zij dienen. Yara en de twee dienaressen van mijn toekomstige echtgenoot fluisteren diverse namen in hun moedertaal, het Arabesch: de zwarte koningin, de eeuwige, de bloeddorstige en meer van dat soort met bijgeloof doorspekte overdrijvingen. Eén naam keert steeds terug, een woord waarvoor zij geen vertaling kennen, een woord waar in zijn simpelheid een grote dreiging van uitgaat: Rah.

Tegen de tijd dat ik de duintop bereik schrijnt mijn keel en pompt mijn hart als bezeten. Mijn adem giert door mijn longen. Het fijne zand is door mijn sluier heen gewaaid. Het knarst tussen mijn tanden die ik gefrustreerd over elkaar maal.

Zandduinen, de late avondzon en een onmetelijke leegte strekken zich tot in de verte uit. Nergens een levende ziel te bekennen, laat staan mijn broer, mijn neef en het leger van Och al Zaraf.

Lamgeslagen staar ik voor me uit. Ik bal mijn vuisten.

Waar blijven ze? Wat is er gebeurd? Einar zou me nooit aan mijn lot overlaten.

Mijn achtervolger manoeuvreert zijn paard behendig door het zand. Hij kent geen haast. Ik kan nergens heen, niet zonder water of rijdier, met onvoldoende kennis van dit land. Hij weet het. Ik weet het. Ontsnappen is zelfmoord.

Net zoals alle Blauwe Lijken draagt hij een bronzen masker dat zijn trekken verhult. Elk van die uitdrukkingsloze bronzen gezichten – alle identiek – is gedecoreerd met een patroon van vreemde tekens dat in het metaal is gedreven. Het masker van deze man is grotendeels bedekt met symbolen, terwijl andere Blauwe Lijken maar een paar daarvan op hun maskers dragen.

Hoewel zijn gezichtsuitdrukking een mysterie is hangt de spot waarmee hij mij in zich opneemt bijna tastbaar in de lucht. Aan zijn gordel draagt hij een kromzwaard tussen diverse andere steek- en snijwapens en een paar grote leren riemtassen. Met dat kromzwaard kan hij iemand zo de kop van de romp slaan; het lot dat de gewapende mannen trof die de karavaan begeleidden, een beeld dat nauwelijks van mijn netvlies wil wijken. Gedurende die momenten heb ik ondervonden dat een mens wel degelijk verlamd kan zijn van angst. Ik kon alleen maar toekijken hoe het mannelijke deel van mijn onderdanen als vee werd afgeslacht. Zelfs mannen die de wapens neerlegden en zich overgaven, kwamen zonder pardon aan hun eind.

Gelukkig reageerden een paar van mijn vrouwelijke bedienden op dat moment een stuk voortvarender dan ikzelf. Ze bedachten een plan om mij te beschermen. Voor ik kon weigeren was het uitgevoerd. Van bruid transformeerden zij mij in bediende. Mijn kamenier Imhilde trok mijn kleren aan en nam mijn plaats in de bruidsstoel in.

Mijn broer en neef hebben alleen hun hielen gelicht omdat ik het ze opdroeg, anders hadden ze zich ter plekke doodgevochten. Voor mij. Samen met een klein groepje mannen lukte het hen om zich het vege lijf te redden.

Volhouden, had Einar me vanaf de rug van zijn rijdier toegeroepen. Wat er ook gebeurt, volhouden. Hij had de bezorgdheid niet uit zijn stem kunnen weren. Ongetwijfeld vreesde hij voor dezelfde verschrikkingen als ik. De eer van een vrouw is weinig waard in deze streken, die van een trofee zoals ik zeker niet. Op dat moment had ik hem bijna gesmeekt om op me te wachten, maar in plaats daarvan brulde ik hem toe dat hij zijn paard de sporen moest geven.

Sindsdien is de zon tien keer opgekomen. Hij en Harald hadden allang terug moeten zijn; we waren nog maar een paar dagreizen verwijderd van het paleis van mijn toekomstige echtgenoot, Dhamid och al Zaraf, krijgsheer van de noordoostelijke zandduinen, toen de Blauwe Lijken toesloegen.

Ik werp een blik achter me. De bruidsstoel en alle personen daaromheen zijn niet meer dan minuscule poppetjes in het zand. Imhilde moet doodsangsten uitstaan. De Blauwe Lijken zijn er nog steeds niet achter dat de persoon die zich in de draagstoel bevindt niet de grote buit is waar zij haar voor houden.

Als ik erin slaag om te vluchten teken ik haar doodvonnis en dat van de rest van mijn gevolg. Het weerhoudt me er niet van om de kans te grijpen. Het is mijn geboorterecht om mezelf te redden.

Ik neem de zwijgzame indigoruiter met zijn bronzen masker in me op. Hij bezit alles wat nodig is om te kunnen overleven in dit barre klimaat: beschermende kleding, een gevulde waterzak, rantsoenen en een rijdier.

De andere vrouwen die probeerden te vluchten, zijn inmiddels overmeesterd en worden door zijn kameraden in bedwang gehouden. Een paar van mijn bedienden liggen roerloos op de grond. Zij zullen nooit meer een kreet slaken.

Niemand besteedt aandacht aan het tweetal op de top van het zandduin: de gevluchte bediende en haar achtervolger. Als het me lukt om nóg meer afstand tussen hen en ons te creëren heb ik alleen hem als tegenstander. Nu Einar en Harald hun plicht verzaken, zal ik mezelf moeten redden.

Voordat ik me kan bedenken zet ik een grote stap voorwaarts en nog een en nog een, aan de andere kant van de zandduin naar beneden roetsjend. Al snel verlies ik mijn evenwicht en rol ik door het zand. De vaart waarmee ik naar beneden duikel neemt toe. Angst giert door mijn keel. Ik houd mijn adem in, bang om in het opstuivende zand te stikken. Mijn hoofddoek, sluier en opgestoken haren worden losgerukt. Ik strek mijn armen uit om mijn lichaam tot stilstand te brengen. Ik ga veel te hard en mag van geluk spreken dat ik de roetsjpartij zonder botbreuken doorsta. Door elkaar gerammeld en diverse blauwe plekken rijker kom ik tot stilstand. Zandkorrels schieten mijn longen in, waardoor ik in een hoestbui uitbarst. Ik veeg het zand van mijn lippen en moet mezelf noodgedwongen de tijd geven om op adem te komen.

Ruiter en paard naderen. De man is afgestegen om het dier te ontlasten en de kans op verwonding minder groot te maken. Hoewel zijn bewegingen kalm zijn en hij nog steeds geen haast lijkt te kennen, spuugt zijn hele houding vuur.

Ik wacht met overeind komen tot hij me heeft bereikt, elke seconde benuttend om het duizelen in mijn hoofd tot stilstand te brengen. Achteloos trek ik de laatste spelden uit mijn verfomfaaide kapsel. Ellenlange blonde lokken tuimelen over mijn schouders. Het zand uit mijn haren schuddend sta ik op. Bedaard neem ik hem in me op. Mijn schouders, armen en voorhoofd zijn verbrand door de woestijnzon, maar die imperfecties doen niets af aan mijn uitstraling. De gedweeë houding van een bediende valt van me af. Ik strek me tot mijn volle lengte uit als een bloem die naar het zonlicht hunkert en toon me in al mijn glorie aan hem.

Hij blijft op een paar passen afstand staan en staart terug, gevangen door mijn helderblauwe ogen.

Ademloos.

Ik ben niet anders gewend. Geen man is tegen mijn schoonheid bestand en voor mannen uit deze streken ben ik een heus mirakel, een levensvorm die ze niet eerder aanschouwden, met mijn lelieblanke huid, blauwe irissen en lichtblonde haren.

Zijn kleding heeft dezelfde diepblauwe kleur als de vroege avond die zich over het firmament uitstrekt. Meerdere lagen stof omhullen zijn gestalte, maar zijn onderarmen en kuiten steken bijna als stokjes uit het volumineuze silhouet. Armen en benen zijn strak omwonden met stroken stof in dezelfde tinten als de rest van zijn uitdossing. Zijn handen en polsen, voeten en enkels zijn overdekt met blauwe kleurstof die lijkt af te bladderen. Een tagelmust bedekt zijn hoofd en een deel van zijn gemaskerde gezicht. Leren kettingen vallen over zijn borst. Daaraan hangen tientallen kleine, rechthoekige leren pakketjes met daartussen wat kralen van barnsteen en lapis lazuli, metalen amuletten en andere rotzooi, waaronder een stuk gedraaide antilopehoorn en een stel oude munten. Uitdrukkingsloos brons verhult zijn trekken.

Wat zou de betekenis zijn van de tekens die zijn masker overdekken? Zijn het woorden gericht tot de goden? Magische spreuken? Of misschien vertellen ze zijn levensverhaal en is hij een open boek voor iedereen die zijn taal beheerst. Nu ik hem goed bekijk, valt het me pas op dat de tekens grotendeels hetzelfde zijn. Erg ingewikkeld lijkt zijn verhaal dus niet.

De amuletten aan het tuig van zijn paard tikken tegen elkaar. Ze zingen een heldere, maar simpele melodie. Samen met het geluid van zijn en mijn ademhaling zijn het de enige klanken die de stilte van de vallende avond doorbreken. Als betoverd neemt hij mij in zich op.

‘Geef mij je rijdier en mantel,’ zeg ik in het Arabesch, in de hoop dat hij dat verstaat. Kennelijk wel, want hij begint aan de sluiting van het kledingstuk te frunniken. Een zelfvoldaan glimlachje trekt aan mijn mondhoeken, maar ik zorg ervoor dat de triomf niet in mijn ogen doorschemert, zodat het lijkt alsof ik hem lieflijk toelach. Ik overwin alle schroom en loop op hem af, overtuigd dat ik hem getemd heb.

Galant slaat hij zijn mantel om mijn schouders. Ik nestel me in de stof, maar hij laat niet los en trekt me naar zich toe. Hij spreekt in die verschrikkelijke taal van hem; een hond die zich verslikt.

Mijn hart schiet naar mijn keel. Angst dreigt me te overrompelen. Maar ik sta het niet toe. Ook al ben ik in een gouden kooi grootgebracht, ik weet heel goed hoe ik van me af moet bijten. Geen wonder met zulke vechtjassen van broers. De meesten van hen kan ik eronder krijgen. Ik ben lang voor een vrouw en zeker niet zwak. Alleen van Einar win ik nooit. Hij is de sterkste krijger van het huis Barlieux.

Mijn onderarmen stoten tussen de armen van het Blauwe Lijk door en slaan die van hem uiteen. Zo dwing ik hem om mij en de mantel los te laten. Voordat de stof het zand raakt verankeren mijn vingers zich achter zijn masker. Ik wil dat die lafaard zijn gezicht aan me laat zien en geef een flinke ruk. Een van de leren riempjes breekt. Na nog een ruk schiet het masker los. Ik laat het brons meteen vallen, zodat ik mijn handen vrij heb.

De man is van zijn à propos omdat een vrouw terugvecht. Hij onderneemt niets om zichzelf te beschermen. Ik maak gebruik van zijn verwarring en stoot mijn knie omhoog. Ik mis zijn kruis op een haar na, maar zelfs dán zou de dreun meer dan voldoende moeten zijn om een man dubbel te laten klappen van de pijn.

De aanval laat het Blauwe Lijk onberoerd. Onbewogen staat hij daar. Hij lijkt wel van steen. Zijn gebrek aan reactie is niet de reden dat ik achteruitdeins.

Onder het bronzen masker is een wanstaltig gezicht vandaan gekomen, een gemartelde tronie overdekt met een lappendeken van roze en witte huid, volledig ontdaan van haargroei. Zelfs wimpers en wenkbrauwen heeft hij niet. Bleke, niets ziende ogen staren dwars door me heen. Zijn lippen liggen als dode slakken over zijn tanden. Van zijn oorschelpen is niets over behalve een stel verschrompelde klompjes. Geen wonder dat het masker zo makkelijk losliet.

Wat is dit voor gruwelijk gedrocht? Het lijkt alsof zijn vlees is gesmolten en lukraak weer op zijn botten geplakt. Zijn afstotelijke uiterlijk laat nieuwe woede in mij ontvlammen. Waar haalt deze wangestalte het lef vandaan om míjn karavaan te overvallen? Om míjn onderdanen de kop af te hakken en míjn broer en neef ertoe te dwingen als laffe honden op de vlucht te slaan?

Maar toch staat hij daar, zwaar ademend alsof elke hap lucht hem kwelt. Hij doet een grote stap naar voren en grijpt me opnieuw beet, bij mijn schouders deze keer, stevig genoeg om me helemaal beurs te knijpen. Zijn geduld is op, maar dat kan me niet schelen. Ik verdraag zijn handen niet op me en sommeer hem om met zijn smerige poten van me af te blijven.

‘Weet je wel wie ik ben?!’ Ik flap het eruit voor ik er erg in heb, maar hij lijkt me niet eens te horen. Ik graai naar een van de dolken aan zijn riem, nog steeds niet klaar om mijn verzet op te geven. Zijn donkerblauw gekleurde vingers grijpen mijn hals. Het staat buiten kijf dat hij me iets verschrikkelijks kan aandoen zonder er een moment over na te denken.

Net op tijd weet hij zich te bedwingen, alsof hij zich herinnert dat zijn eigen emoties onbelangrijk zijn. Hij smijt me op de grond en wikkelt zijn mantel strak om mijn lichaam. Voordat ik nog iets kan doen gooit hij me over de rug van zijn paard, terwijl ik spartelend foeter dat hij me onmiddellijk moet laten gaan.

***

Heb je genoten van deze gratis leesproef, dan kan je via deze link het boek (gesigneerd) bestellen.

Geplaatst op

De anatomie van een boektrailer (3)

‘Mag ik je insmeren met derrie?’ die vraag of eentje van soortgelijke strekking stelde ik aan Annelies, nadat ik locaties was wezen scouten met Robin. Ik had haar al ingelicht dat er een ‘flipscène’ in de boektrailer zou zitten, want ik wilde op de een of andere manier de transformatie van madame in beeld brengen. Maar hoe precies?

Bomen waarvan de wortels door de wind gedeeltelijk waren blootgelegd brachten mij op een idee. Die staan zowel op het Kootwijkerzand als op de Soesterduinen. Ik moest Robin tijdens ons locatiescout overhalen, want zij zag niet direct wat er in mijn hoofd opborrelde. Zij heeft ergens een behoorlijk gênant filmpje van mij op haar telefoon, waarin ik met mijn beste acteurtalent uitbeeldde wat mij voor ogen stond.

Ik wilde zwarte schmink gebruiken. Veel te tam, vond Robin. Dus, tja, toen kwam die derrie-vraag aan Annelies en moest ik aan het derrie-brouwen. Na wat geëxperimenteer met gelatine, koffie en aarde en een boel rare vragen stellen bij Holland & Barrett boodt een mengsel van bodylotion en grafietpoeder uitkomst.

Eerst nog even droog oefenen en toen konden we loos. Ik heb Annelies door de scène gecoached en alle ellende die madame tot op dat punt in het boek had doorstaan op haar afgevuurd. Ik heb geloof ik nog nooit zo vaak verdomme achter elkaar gezegd en soms wist ik gewoon even niet meer wat ik moest zeggen, zozeer was ik onder de indruk van Annelies in flipmodus.

Het resultaat: drie zeer voldane dames, waarvan we er eentje boven een teiltje hebben staan schoonschrobben.

Na flink flippen is het gewoon tijd voor nachtopnames. Natuurlijk hadden we het meest gênante voor het laatst bewaard, want flippen en door de derrie rollen is kinderspel vergeleken bij De Liefde.

Heel misschien leven ze nog lang en gelukkig …

Jullie gaan het allemaal zien in de boektrailer van 1000 nachten. Op dit moment werken wij achter de schermen hard aan montage, voice over en muziek. Ik ben op zoek naar een mooie locatie om de boektrailer later deze herfst in première te laten gaan. Ik houd jullie op de hoogte.

Tot slot het rijtje mensen zonder wie deze productie niet mogelijk zou zijn geweest. Bij deze nogmaals ongelooflijk veel dank dat jullie zijn meegegaan in mijn wilde plannen!

Annelies Jansen als ‘Madame’
John van den Bos als ‘Ya’sin’
Robin Rozendal van de Videomakers
Nathalie de Vogel, henna en fotografie
Timo van den Berg multi-inzetbaar assisteer-talent

En de mensen dankzij wie Ya’sin niet in zijn nakie hoefde rond te rennen: Eldritch Ensembles/John van den Bos (masker Ya’sin), Tiffany van den Boom (tuniek en broek Ya’sin), Laura Scheepers (mantel Ya’sin).

Heb je na dit fotoblog onbedaarlijke trek gekregen in een portie ‘madame’, dan kan je 1000 nachten via deze link (gesigneerd en met opdracht) direct bij de auteur bestellen.

De foto’s in dit blog zijn gemaakt door: Nathalie de Vogel, Robin Rozendal en Sophia Drenth

Geplaatst op

De anatomie van een boektrailer (2)

Achter de schermen bij de opnames van 1000 nachten

Dat zo’n boektrailer filmen meer voeten in de aarde had dan gedacht werd me al snel duidelijk. Had ik bij de boektrailer voor Bloedwetten: Verlossing doelbewust een stap teruggedaan en ervoor gekozen om in een verduisterde studio van 5×5 meter te filmen, voor 1000 nachten was het vanaf het begin duidelijk dat we het een stuk groter zouden aanpakken. Dream big, right? Gewoon aan de slag gaan een kijken wat er haalbaar is.

Hoewel het verzetten van de opnamedag ervoor zorgde dat ik op zoek moest naar een andere mannelijke hoofdrol, want de oorspronkelijke gecaste acteur was verhinderd op de nieuwe datum, was ik blij dat ik dankzij de weersvoorspelling een paar dagen extra had om de laatste puntjes op de i te zetten wat betreft kostuums, accessoires en make-up.

Laat ik trouwens voorop stellen dat ik absoluut geen spijt heb John gevraagd te hebben om in te vallen (waarop hij direct enthousiast ‘ja!’ zei). Hij heeft Ya’sin fantastisch neergezet. Geen gemakkelijke taak, bedekt onder al die kleding, met lenzen in, een masker op en mijn broddelwerk dat voor verbrande huid moest doorgaan op zijn handen. Appeltje, eitje voor hem. Tja, wat verwacht je van een man die wel eens in een zelfgemaakt een orckostuum rondloopt waarvoor een kist van 1x2meter nodig is om het te vervoeren?

Afijn, na al het gerommel met kostuums, make-up, henna en de lunch was het eindelijk tijd voor keiharde actie!

Enter Ya’sin

Hij moest alleen wel een beetje doorlopen. 😉

Madame op de vlucht

De dames dartelden als twee jonge gazelles door het zand. Je zou bijna vergeten dat er een creotim achter madame aan zit …

Madame stond haar vrouwtje. Je ziet Ya’sin balen op die laatste foto. Als een stekker.

Die twee zijn aan elkaar gewaagd, dat zie je zo.
Wie (of wat) gaat er schuil achter het masker?

Het antwoord op deze vraag verraad ik misschien in het volgende ‘achter de schermen’-blog.

Of niet. 😉

De foto’s in dit blog zijn gemaakt door Nathalie de Vogel.

Met dank aan: Robin Rozendal, Annelies Jansen, John van den Bos, Nathalie de Vogel en Timo van den Berg.

Ben je nu écht nieuwsgierig naar 1000 nachten? Dan kan je het boek hier (gesigneerd met persoonlijke opdracht) bestellen. 🙂

Geplaatst op

De anatomie van een boektrailer (1)

Achter de schermen bij de opnames van 1000 nachten

Zaterdag 21 september was het eindelijk zover, toen verzamelde een bescheiden filmcrew zich in de Soesterduinen voor de opnames van de boektrailer van 1000 nachten, de nieuwste Bloedwetten-bronvertelling.

Er gingen een aantal hectische weken aan vooraf, want als we nog mooi weer wilden hebben móésten de opnames naar ons gevoel uiterlijk half september plaatsvinden. Volgend jaar pas met een trailer op de proppen komen, zou weinig zin hebben. Dus we hakten de knoop door en gingen voor het meest ambitieuze scenario. Binnen drie weken regelde ik de kostuums, props, een tent, vogelde ik de make-up uit en communiceerde ik me een slag in de rondte.

Achter de schermen hebben we met de opnamedag (en daardoor ook met de mannelijke hoofdrol) geschoven, want een strakblauwe lucht was onontbeerlijk om de woestenij uit 1000 nachten te kunnen realiseren. Gelukkig waren de weergoden ons goedgezind en hadden de weermannetjes en – vrouwtjes het helemaal bij het rechte eind: een strakblauwe lucht straalde ons tegemoet boven de zandvlaktes van de Soesterduinen. Woestijn in Nederland: het kán!

Na het opzetten van ons kamp, het uitzoeken van de kostuums en een snelle lunch, was het tijd om Annelies in de henna te zetten. Nathalie had zich ingelezen in passende patronen en deed waar ze goed in is. Het resultaat was prachtig!

Daarna was het een kwestie van drogen. Gelukkig voor Annelies kwam Timo haar gezelschap houden, terwijl ik me drukmaakte om de aankleding en make-up van Ya’sin.

Het was de hele dag door een eindeloos gepruts met Ya’sins tagelmust en opstandige oren die er steeds weer onder uitdoken, met uiteindelijk de slappe lach van pure wanhoop tot gevolg. (En dan heb ik het nog niet eens over zijn afbladderende handen die ik in de loop van de dag drie keer heb moeten herstellen.) Het eindresultaat was beter dan ik had durven dromen en dat is uiteindelijk het enige wat telt.

Yas’sin in volle glorie.

Annelies is van zichzelf al een plaatje, dus daar had ik minder werk aan. Alleen die sluier, die vermaledijde sluier die in de loop van de dag wel duizend keer herschikt moest worden …

Het resultaat was adembenemend …

In het volgende deel van de reportage is het eindelijk tijd voor actie!

De foto’s in dit blog zijn gemaakt door Nathalie de Vogel, Robin Rozendal en Sophia Drenth.

Met dank aan: Robin Rozendal, Annelies Jansen, John van den Bos, Nathalie de Vogel en Timo van den Berg.

Ben je nu écht nieuwsgierig naar 1000 nachten? Dan kan je het boek hier (gesigneerd met persoonlijke opdracht) bestellen. 🙂

Geplaatst op

Boekpresentatie 1000 nachten

Op 13 april presenteerde ik de nieuwste Bloedwetten-bronvertelling, 1000 nachten op Elfia.

Een kort verslag van dit boekenfeestje …

Het weer was bar en boos. Toen ik me op weg begaf naar Story Stage sneeuwde het zelfs en kwam ik in een grote uittocht terecht van bezoekers die het hazenpad kozen. Gelukkig waren er nog best veel mensen (meer dan ik had verwacht) die de kou trotseerden en bij de boekpresentatie op Story Stage aanwezig waren.

Mij had het heugelijke nieuws bereikt dat madame LaSoeur, het hoofdpersonage uit 1000 nachten, aanwezig was. Zo begon de zoektocht naar de échte madame tussen de stukjes voordracht door. De resultataten waren in sommige gevallen stuitend. Ongelooflijk wat men al niet doet voor een lousy fifteen seconds of fame! Het begon met een madame met een pruik! De volgende was niet eens een mens, maar een Nara weggelopen van de cover van het nieuwste boek van Garvin Pouw. De derde was zeer overtuigend. Ze danste verrukkelijk maar helaas … Het was bewijs uit 1000 nachten zelf die haar door de mand liet vallen, want madame kan niet dansen: In het noorden worden ze immers met vastgevroren heupen geboren. En de vierde madame … daar had ik geen woorden voor, al weet ik zeker dan madame zo’n outfit in haar kledingkast heeft hangen.

Tussen alle hilariteit door vermaakten mijn lieve vriendinnen Meidi en Annelies met muziek en dans. Wat ben ik trots om zulke getalenteerde mensen in mijn vriendenkring te hebben!

Meidi Goh speelde een nieuw nummer uit eigen repertoire, On the wings of a swallow.
Begeleid door Meidi danste Annelies de sterren van de hemel.
Helaas viel Annelies ook door de mand. Ook al niet de echte madame! Meidi is er perplex van.
Mag ik een daverend applaus voor deze twee kanjers? Vanwege een probleem met het afspelen van de muziek hebben zij ter plekke een improvisatie in elkaar gezet alsof het zo bedoeld was. #kanjers
Tot slot de boekverloting en signeren!

Met dank aan Walter Lawerman en Sylvia van Eijk voor de foto’s.

Iedereen bedankt voor het deelnemen aan dit gave feestje, met in het bijzonder mijn madammen: Karin, Leonie, Annelies en Dominic, Annelies voor het dansen, Meidi voor de muziek, Sylvia voor het assisteren en niet te vergeten de heren van het geluid.

En heb jij nu ook zo’n zin gekregen in het boek? Dan kan je dat hier bestellen. 🙂

Geplaatst op

Het laatste woord

Afsluiting blogtour 1000 nachten

Onrustig fladdert ze voorbij. Ik heb haar in al die manen nog nooit zo nerveus gezien, alsof ze een tiener is die voor het eerst op date gaat. Sergis is al bijna klaar met haar spullen inladen (wat een klus) en zij rent rond als een kip zonder kop, terwijl we de blogtour nog moeten afronden.

‘Ben je nou nog niet klaar?’ vraag ik, wanneer ze voor de zoveelste keer voorbij komt gestoven. Ik snap niet waar ze zich zo druk om maakt.

‘Ja, ja. Bijna. Ik moet er toch goed uitzien?’

Voor een afsluitend stukje voor de blogtour?

‘Ser!’ roept ze naar beneden, over het trapgat leunend. ‘Die rode koffer, is die al ingeladen?’ Er klinkt wat gemompel van beneden. Ik heb niet het gehoor van een Ath’vacii dus kan het niet verstaan. ‘Ik heb helemaal geen tien rode koffers! In welke? Hoe moet ik dat nou weten? Die jurk vind ik nooit op tijd terug.’ Verslagen sloft ze de woonkamer in.

‘Schat, jij ziet er zelfs goed uit in een vuilniszak als je pas wakker bent,’ ze ik, in een poging haar te troosten.

‘Dat spreekt voor zich, maar vuilniszakken zijn zó 2018.’ Ze ploft naast me op de bank. Plukt nog wat aan haar wenkbrauwen en zet haar wimpers nogmaals in de krul. ‘Hoe lang hebben we nog voordat ze komen?’

‘Voordat wie komen?’

‘De journalist én de fotograaf, natuurlijk.’

‘Uhm … ik denk dat je het verkeerd hebt begrepen.’

‘Hoezo,  gaat het interview niet door? Ze hebben toch niet afgebeld?’

‘Het interview gaat gewoon door. Alleen vrees ik …’

Ze kijkt me met grote ogen aan alsof ik op het punt sta om iets verschrikkelijks te verkondigen.

‘Je zal het met mij moeten doen. Ik neem het interview af en ik heb wat vragen van volgers op Facebook. Had je dat niet begrepen?’

Haar mond vormt een perfect cirkeltje: een zorgvuldig rood gestift cirkeltje dat menig man (en vrouw) tot waanzin drijft. ‘O,’ zegt ze, haar teleurstelling zo veel mogelijk verschuilend. Ze kijkt op haar horloge. ‘Snel dan maar. Ik heb nog meer te doen vandaag.’ Nuffig nestelt ze zich in de kussens op de bank, de plek waar ze het afgelopen jaar meer tijd doorbracht dan haar lief was. Als ik had geweten dat het zó lang zou duren om een boek te schrijven … Ze verzuchtte het meer dan eens en soms zuchtte ik met haar mee.

Madame kwam mijn leven binnen gezwierd met een shitload aan koffers in haar kielzog. Haar onstilbare honger naar Ben & Jerry’s heeft me de afgelopen maanden bijna tot wanhoop gedreven, maar toch ben ik enorm van haar gaan houden; meer dan ik op voorhand had gedacht.

Ik sta op en haal een beker ijs voor haar uit het vriesvak. Na een paar happen is ze haar woede binnen de kortste keren vergeten.

‘Je hebt me verrast,’ zeg ik.

‘Hoezo?’ vraagt ze.

‘Nou ja,  je weet wel …’

Ze stouwt een eetlepel ijs naar binnen en schudt daarna haar hoofd.

‘Er zit een beetje in je mondhoek,’ zeg ik. ‘Nee, je andere mondhoek.’ Hoeveel soortgelijke interacties we de afgelopen maanden hebben gehad, weet ik niet. Ik ben op een gegeven moment opgehouden met tellen. Het afgelopen jaar heb ik ook geleerd dat recht voor zijn raap het best werkt bij haar, dus vooruit met de geit: ‘Ik had verwacht dat je een domme snol zou zijn, maar niets is minder waar.’

Ik geef toe dat ik overmoedig ben geworden, maar haar reactie valt me mee. Ze barst in schaterlachen uit. ‘Ik geen snol? Valt dat je tegen?’

‘Het is me meegevallen, maar ik vrees wel dat mensen een andere indruk van je hebben gekregen door de kant van jezelf die je op social media hebt laten zien. De vrouw die naast me op de bank zit, lijkt in veel opzichten een andere vrouw dan die jij mij beschreef in 1000 nachten.’

‘Tijd verandert een mens. Geliefden verliezen, achterblijven, overblijven. Resteren.’

Ik word een beetje verdrietig van haar woorden. ‘Zie jij je leven zo? Als een restant?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb alles gevoeld wat er te voelen valt, alles ervaren wat het bestaan te bieden heeft. De hoogte- en de dieptepunten. Waarom denk je dat ik me suf vreet aan ijs en me suf laat naaien. Alles om iets te voelen.’

Nu is het aan mij om een verbijsterd ‘o’ ten gehore te brengen.

‘Je hoeft geen medelijden met me te hebben, hoor. Ik geniet van het leven. Dat is het me verschuldigd en ik neem wat me toekomt. Maakt me dat een snol?’ Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien. Om eerlijk te zijn zal het me worst wezen wat mensen van mij denken. In al die jaren is er weinig veranderd. Mensen oordelen snel, doorgronden alles behalve hun eigen kortzichtigheid. Een slimme vrouw is in de ogen van velen een gevaar. De Marylins, de Jeannes, de Mata Hari’s … Goed aan ons eind komen doen we niet. Ik doe me niet dommer voor dan ik ben, maar ik zwijg op de juiste momenten en ik laat me wel eens gaan. Gewoon omdat het kan. Niets erger dan een benepen leven leven. Hoef je niet zo beteuterd te kijken, o wijze interviewster. Stel me liever nog een vraag. Laatste kans die je voorlopig krijgt.’

‘Nu ja, de vraag die hier voor me ligt durf ik na deze woorden van jou nauwelijks te stellen. Evi Verhasselt wil graag weten waar je heen gaat, zo direct met Sergis? En wat verwacht je nog van de toekomst?’

‘Ik ga waar mijn jurken mij heen voeren. Hahaha. Parijs, Milaan, New York … of misschien toch Dubai? Lang geleden dat ik een sjeik gelukkig heb gemaakt.’ Ze knipoogt naar me. ‘En mijn verwachtingen voor de toekomst? Ach, we zien wel wat die brengt. Ik heb geen haast om hem te ontdekken.’

‘Ik heb hier ook nog een een vraag voor je van Stefan Tetelepta, feelgoodschrijver.’

‘Feelgood.’ Ze trekt haar neus op.

‘Doe maar niet of je daar vies van bent. Ik heb die boekjes heus wel zien liggen in die ene rode koffer van je. Sergis sjouwde zich er zonet een breuk mee.’

‘Ach ja, de liefde. Alles voor liefde. Wat had hij te vragen?’

‘Stefan wil weten waarom je mij hebt uitgekozen om jouw verhaal op te tekenen? En hoe vaak je het niet eens bent met hoe ik dingen beschrijf en of je dan ingrijpt?’

‘Dat is niet één vraag, dat zijn er drie.’

‘Heel fijn, je kan tellen. Alweer een mysterie omtrent de grote madame LaSoeur opgelost. Bravo.’

‘Zien jullie wat een kreng die Drenth is? Daarom heb ik haar uitgekozen. Zo’n grote mond, dat mag ik wel.’ Ze kijkt me bestuderend aan. ‘Een grote mond en een klein hartje in een ietepietepeuterig lichaampje.’

‘Ja, zo kan ‘ie wel weer.’

Ze legt haar hagelwitte tanden bloot in een bijna demonische lach. ‘Drenth doet wel zo koppig, maar ze benadert elk onderwerp met respect. Of moet ik zeggen: vooral de delicate onderwerpen, die benadert zij met respect. Je levensverhaal aan haar vertellen is alsof je tegen een zus praat en dan heb ik het niet over de feeksen van Rah, mijn zogenaamde zussen van het bloed. Haar fijnzinnige woordkeuze maakt dat ik haar zelden heb hoeven corrigeren. Muggenzifter eerste klas. Zo ken ik er maar weinig. Een uitstervend ras in deze wereld waar alles steeds sneller moet en het kwalitatief steeds minder wordt. Ze zou veel meer boeken kunnen produceren, maar ze kiest voor kwaliteit. Ook al heeft haar redactrice allang haar goedkeuring gegeven, tóch blijft ze slijpen wanneer ze ziet dat het nóg beter kan. Dat maakt haar verschrikkelijk irritant om mee samen te wonen. Blij dat ik eindelijk mijn jurken kan pakken.’

Ik mompel verongelijkt, blij dat ik haar kan afleiden met nog een vraag: ‘Susanna de Lange wil weten wanneer ik het vervolg mag gaan schrijven.’

We kijken elkaar aan en zuchten tegelijkertijd. ‘Ik vind je een schat, eerlijk waar,’ zegt ze, ‘maar als ik nog langer met jou zit opgescheept word ik gillend gek.’

‘Ik deel dat sentiment volledig,’ zeg ik. ‘Volgende vraag dan maar?’

‘Misschien krijgt Susanna zodirect toch antwoord op haar vraag …’

‘Wat bedoel je daarmee?

‘O, niets.’ Ze bekijkt zichzelf in haar het spiegeltje van haar poederdoos. ‘Komt er echt geen fotograaf?’

Ik schud mijn hoofd.

Ze pruilt. Vervolgens pakt ze haar telefoon en maakt ze een reeks selfies. Volgens mij heeft zij het woord duckface in het leven geroepen.

Ik schraap mijn keel: ‘Volgende vraag dan maar? Joyce Analbers vroeg zich het volgende af: Wat had je gedaan als je misvormd uit de transitie was gekomen? Je bent namelijk nogal ijdel. Dat laatste over ijdel zijn zegt Joyce, hè? Niet ik,’ haast ik me eraan toe te voegen.

‘Want jij spreekt enkel lovend over mij.’ Ze poedert het puntje van haar neus.

‘Het is eigenlijk een vraag …’ zeg ik.

‘Waar ik geen antwoord op mag geven,’ vult ze aan.

‘Mag, kan, zal …’

‘Spoiler alert!’ roept ze, haar handen in zogenaamde paniek opheffend, terwijl ze een gekke bek trekt. ‘Tja, da’s nou jammer. Over die zogenaamde ijdelheid van mij wil ik wel wat kwijt. Ja, ik hou van mijn uiterlijk en ik verzorg mezelf goed. Dat ben ik hem verschuldigd. Mijn lichaam is het grootste geschenk dat ik heb gekregen. Mijn ijdelheid is een teken van liefde.’ Ze bestudeert haar handen, verlegen als een schoolmeisje. ‘Was dat alles? Geen vragen meer? Geen drommen nieuwsgierigen die over elkaar heen buitelen om een glimp van mij op te vangen?’

‘Nou ja, eigenlijk wilde ik deze afsluiting van de blogtour vooral doen om jou het laatste woord te geven, dus ik heb niet zoveel vragen voorbereid en jouw volgers op social media zijn kennelijk te veel onder de indruk om jou lastig te durven vallen.’

‘Mij het laatste woord geven? Slimme meid.’

‘Dat durf ik te betwijfelen.’

‘Wat ik zeg: slimme meid. Ik zal je de afsluiting geven waarnaar je verlangt, maar je zal er niet noodzakelijkerwijs blij mee zijn. Een bekentenis is op zijn plaats.’

De paniek slaat me om het hart. ‘Bekentenis? Hoezo?’

‘Je weet toch wel dat ik tegen je heb gelogen?’ zegt ze. Ze bijt op haar onderlip en kijkt onschuldig tussen haar wimpers door. We hadden laatst écht niet naar 50 shades moeten kijken. ‘Nou ja, liegen is misschien een te groot woord. Ik heb niet álles verteld. Ik ben veel verder gegaan om te beschermen wat mij lief was dan ik je heb toevertrouwd. Ik wilde niet dat het zo’n verhaal zou worden. Dat begrijp je toch wel?’

‘Ja,’ verzucht ik. ‘Dat begrijp ik.’

Ze leunt naar me toe. ‘Om het goed te maken heb ik een cadeau voor je.’

Visioenen van jurken met roesjes en hooggehakte schoenen waarin ik nog geen normale stap kan zetten doemen voor me op. Het klamme zweet breekt me uit. ‘Alsjeblieft niet …’ sputter ik. ‘Ik heb alles wat ik nodig heb. Ik hoef niets … Écht niet.’

‘O ja, dit heb je wel degelijk nodig. Wanneer de tijd rijp is.’ Ze drukt me een sleutel in handen, het soort sleutel dat op een hutkoffer past. ‘Mijn laatste woord. Je mag ze pas lezen wanneer je Bloedwetten 3 af hebt, want dat stel je nu al veel te lang uit. Beloofd?’

Ik knik fronsend, ook al weet ik niet precies wat ik beloof.

‘Doe je de groeten aan Storm van me? Wat denk je, zal hij net zo’n aangename huisgast zijn als ik?’

Ik stel me Storm voor, lezend in de schaduw van de boekenkast, tevreden met een kop thee en een snuif bloedpulver. Ik glimlach. ‘Lang niet zo spraakzaam, vermoed ik.’

‘Tut, tut, en dat voor een raadsheer,’ lispelt ze. ‘Ik heb nog wat te goed van hem. Herinner hem daaraan.’ Ze knipoogt. ‘Ik zie je snel.’ Met het ruisen van zijden rokken verdwijnt ze de trap af, haar koffers achterna.

Ik blijf even perplex zitten, nadat de deur achter haar is dichtgeslagen. Dan neem ik de wenteltrap naar boven. De kamer waar zij haar jurken en schoenen had opgeslagen is verlaten op een hutkoffer na. Lege kasten, het kledingrek staat er vermoeid bij, op het punt van instorten. Een paar klerenhangers liggen achteloos op de grond neergesmeten. Een paar veertjes van haar maraboepeignoir en een opgeschrikte mot dwarrelen door de lucht.

Ik steek de sleutel in het slot van de oude hutkoffer en draai hem om. De deksel opent zich onwillig. De scharnieren hebben olie nodig. De hutkoffer zit tot de nok toe vol met notitieboeken, variërend van extreem oud met broze bladzijden en een leren omslag tot kortgeleden aangeschafte exemplaren met verrassend opgewekte kleuren op de omslagen. Er zit er zelfs eentje bij met een guitige eenhoorn op het omslag.

Een verbijsterde zucht ontsnapt me. De geheime dagboeken van madame.

Boven op de stapel dagboeken ligt een briefje met daarop één woord: Foei!

Ze kent me te goed. Ik pak het bovenste exemplaar en blader het vluchtig door. Voordat ik me niet kan bedwingen leg ik het terug en draai ik de hutkoffer weer op slot. Ik bedwing de neiging om de sleutel uit het raam te gooien.

Niet lezen tot ik klaar ben met Bloedwetten 3. Pfff, wat doet ze me aan?

En mocht je je nu echt niet langer kunnen beheersen, dan kan je 1000 nachten via deze link aanschaffen.

Geplaatst op

Blogtour 1000 nachten

De blogtour van 1000 nachten is op 15 april van start gegaan. Alle bijdragen worden hieronder toegevoegd.

25 april: Madame/afsluiting blogtour: https://www.bloedwetten.com/nieuws/het-laatste-woord

24 april: De Perfecte Buren: ‘Wat kan Sophia Drenth toch goed schrijven en wat heeft ze een bijzondere wereld geschapen waarin de serie Bloedwetten zich afspeelt!’ https://perfecteburenleesclub.blogspot.com/2019/04/blogtour-1000-nachten-sophia-drenth

23 april: Connies Boekkies: ‘Een verhaal wat je bij de strot grijpt vanaf het begin en je niet meer los wilt laten.’ https://conniesboekkies.wordpress.com/2019/04/23/1000-nachten-sophia-drenth/

22 april: The Bookbabe: ‘Als een kunstenaar kan Sophia Drenth de meest vreselijk scenes beschrijven, zonder je als lezer te laten walgen. Sterker nog, je bent geboeid, en verlangt naar iedere letter.’ https://www.facebook.com/thebookbabecisz/photos/a.325452641169770/795996634115366/?type=3&theater

21 april: Samenlezenisleuker: ‘ Katine, Madame, Ka’ahtin, wat ben je groots en uniek … Nog nooit las ik een verhaal gevuld met een liefde als dit. Het is verschrikkelijk en prachtig tegelijk. https://samenlezenisleuker.wordpress.com/2019/04/21/karin-las-1000-nachten-sophia-drenth-1-2/

20 april: Boekenvirus: ‘ Een liefdesverhaal zoals je er nog nooit een gelezen hebt.’ https://boekenvirus.wordpress.com/2019/04/20/2893/

19 april: Thrillers & More: ‘… Onder de indruk van de wijze waarop Sophia dit verhaal op een zeer realistische, beeldende manier heeft neergezet.’ https://www.thrillersandmore.com/2019/04/19/1000-nachten-sophia-drenth/

18 april: Een bijdrage van Readinglife 567: ‘Ik had echt een WOW gevoel.’ https://readinglife567.wordpress.com/2019/04/18/blogtour-bloedwetten-1000-nachten/

17 april: Vandaag in de 1000 nachten-blogtour: een recensie op Drukinkt. ‘Zelden heb ik zo’n sterk karakter gezien als Katine Lasoeur. Ze heeft goede kanten, maar ook slechte kanten die ze schaamteloos omarmt als haar dit zo uitkomt.’
https://drukinkt.net/…/recensie-1000-nachten-sophia-drenth.…

16 april: Met vandaag een bijdrage van Nakita’s Library, Een interview waarin ik over het wel (en vooral) wee van schrijven vertel. Het was erg gezellig om samen met Nakita thee te drinken.
https://nakitaslibrary.nl/…/16/aan-de-thee-met-sophia-drenth

15 april: Emopheliac geeft de aftrap met een zeer positieve recensie: ‘Dit maakt dat, zelfs wanneer je Madame in de eerdere boeken maar een arrogante dame vond, je eigenlijk niets anders kunt doen dan haar in je hart sluiten, Sophia Drenth zet haar in ‘1000 Nachten’ neer als een combinatie van onmetelijke persoonlijke kracht, hartverscheurende kwetsbaarheid en bewonderingswaardige vrouwelijkheid.’
http://emopheliac.nl/recensie-1000-nachten-een-bloedwetten-…

De blogtour van 1000 nachten is op 15 april van start gegaan. Alle bijdragen worden hieronder toegevoegd.
Geplaatst op

Kerstcadeau: kort verhaal ‘Voor eeuwig’

Met mijn hart in mijn keel bestijg ik de trap. Moeizaam sjouw ik het immense schildersdoek en mijn ezel naar boven. Ze pasten niet in de lift, waardoor ik tot klimmen werd veroordeeld.

Tegen de tijd dat ik de laatste treden achter me laat, loop ik te hijgen als een krakkemikkige stoomboot. Natuurlijk woont ze op de bovenste – en duurste – etage van het appartementencomplex. Ik zet mijn spullen neer en haal mijn zakdoek tevoorschijn. De transpiratie uit mijn nek vegend, doe ik mijn best om op adem te komen. Ze houdt niet van wachten, dat vertelde ze me alsof ze wist dat ik er een handje van heb om de tijd uit het oog te verliezen. Zeer zeker niet uit arrogantie. Nee, de tijd beweegt zich altijd sneller voort dan ik vermoed. Ik kan er niets aan doen. Mijn innerlijke horloge is slecht afgesteld.

Op de overloop tref ik maar één deur aan. Hij staat op een kier.

Ze verwacht me.

‘Madame?’ vraag ik op zachte toon, de deur verder openduwend. Geen respons. Ik kan hier als aangeschoten wild blijven staan of op mijn schreden terugkeren, maar ze stelde me een vraag die ik niet kan negeren. Het was méér dan een vraag: in een oogwenk las ze het grootste verlangen van mijn gezicht. Kennelijk ben ik zó voorspelbaar.

Mijn entree is minder indrukwekkend dan ik zou wensen. Ik sta te klungelen om het schildersdoek naar binnen te laveren. Ik zet de ezel neer en plaats het doek erop. Mijn klamme handen aan mijn broek droogvegend kijk ik rond. Haar hele leven staat uitgestald. Een bijzonder leven, dat is direct duidelijk. Rijker dan ik mijn eigen leven ooit kan voorstellen. Antieke memento’s uit alle hoeken en gaten van de wereld vullen het vertrek. Ingelijste foto’s van haar met invloedrijke mensen. Kunstenaars, schrijvers, oliebaronnen, politici. Gezichten die ik veelal niet ken, maar die ik wel zou moeten kennen wil ik hogerop komen. De lijsten die de foto’s omkaderen zijn elk een klein fortuin waard, zeker voor een man zoals ik die van schilderklus naar schilderklus leeft.

Ik zit hier goed. Zij verkoopt geen praatjes. Ze kan haar belofte gestand doen, maar dan zal ik haar eerst moeten bekoren met mijn schilderkunsten. Ik slik de brok uit mijn keel, de gedachte dat ik niet voldoende ben op afstand houdend.

Ik dwaal door het vertrek. Overweldigd door de pracht en praal die me omringt. Manshoge vazen van het dunste porselein flankeren de gietijzeren schouw waarop mollige putti ronddartelen. Maar ook minder voor de hand liggende rariteiten komen voorbij, zoals de met bladgoud overdekte sarcofaag die ergens in de schaduwen staat. Is ze al zó oud? flitst het door mijn hoofd. Een dommere gedachte volgt de eerste op: Zou ze daarin slapen?

Ik weer de banaliteiten even snel als ze ontwaken. Ik wil haar niet teleurstellen, laat staan haar beledigen. De praatjes die over haar soort de ronde doen zijn natuurlijk grotendeels roddels. Toch lijkt geen daarvan me te gek nu ik me in haar vertrekken bevindt. Een uitnodiging die ik niet mócht weigeren. De kans waar ik al zo lang op wachtte …

Van het ene op het andere moment is ze er. Precies zoals gisterenavond, toen ze me langs de kade van de Seine aansprak, waar ik goedkope portretten vervaardig om een paar centimes bij elkaar te schrapen. Ik merk haar pas op wanneer haar gestalte achter me langs glijdt. Een vleug parfum meandert voorbij. Het is een donkere geur die me nóg meer beloftes doet. Het duizelt me.

In stilte laat ze haar zijden peignoir van haar schouders glijden. Ze neemt plaats op de met rood fluweel beklede chaise longue, slechts gekleed in een waterval van goudblonde lokken.

Het komt me als een cliché voor om haar als bloedmooi te beschrijven, maar een beter woord bestaat niet. Ze is van het eeuwige bloed en bloedmooi. Een visioen van perfectie.

We spreken geen woord.

Ik schilder.

Tegen de morgenstond heeft ze er genoeg van. Ze komt overeind, keert me de rug toe en wacht. Ik snel op haar af en help haar in haar peignoir. Ze vraagt het me opnieuw: ‘Wil je eeuwig voortleven?’

Mijn keel is te droog om te kunnen antwoorden. Ik knik.

‘Morgen,’ belooft ze. Haar stem is honing en ik ben de door rook verblinde bij. Ze schrijdt langs me heen, blijft een tel staan om de eerste resultaten te bekijken. Een volmaakte wenkbrauw trekt zich op, terwijl ze het doek in zich opneemt. Is het misprijzen, walging of teleurstelling? Het is het allemaal, vrees ik. ‘Of overmorgen …’ voegt ze er hoofdschuddend aan toe.

Twee weken bezoek ik haar iedere nacht. Zij poseert en ik schilder. Sigarettenrook kringelt in het schaarse licht van de gaslampen omhoog. Alleen mijn ademhaling verstoort de stilte. Ik ben het trouwe huisdier dat iedere nacht naar haar aandacht hunkert, bereid om slaag te krijgen wanneer ik onder de maat presteer. Meestal is dat het geval. Haar oordeel over mijn inspanningen bestaat uit niet meer dan een enkel hoofdschudden of een teleurgestelde zucht.

Ik graaf in mezelf. Ze wil iets van me hebben wat ik niet bezit. Met elke penseelstreek wordt het duidelijker: ik ben geen kunstenaar. Ik schilder wat ik ken. Ik kopieer de gave van anderen. Het zal me nooit lukken om haar essentie te vangen, want ik schilder wat ik zie, niet wat zij ís.

Opnieuw schraap ik de dikke laag olieverf van het doek. Dit is het laatste grote canvas dat ik bezit. Ook mijn voorraad pigmenten wordt schaars, maar hoe kan ik haar om financiële steun vragen wanneer de afkeuring van haar gezicht druipt? Ik schiet in alle opzichten tekort.

Wanneer ze me bij het ochtendgloren na een nacht onafgebroken schilderen zegt dat ik niet terug hoef te komen, sla ik door. Ze neemt niet eens de moeite om naar mijn werk te kijken! Ik til het doek van de ezel en gooi het op de grond. Vloekend smijt ik met de kleuren, met de leugens die me zijn bijgebracht, die lijkende lijnen; de angst voor alles wat dieper reikt dan mijn geest kan bevroeden. Zwoegend zit ik op handen en knieën. Ik laat mezelf gaan, kerf met mijn paletmes in de verf, gebruik mijn nagels, mijn vingers en zelfs mijn tong. Ik heb het doek lief, zoals ik haar zou willen liefhebben, rauw en onbesuisd.

Als bevroren kijkt ze toe. Dan komt ze op me af. Haar blote voeten schrijden door de kleurenchaos. Ze knielt voor me neer en drukt haar lippen op de mijne. Ze kust me, diep en hongerig, likt de verf uit mijn snor. Nooit eerder was ik dichterbij een ander. Ik strek me uit wanneer haar liefkozingen naar mijn hals afzakken en geef me zonder nadenken aan haar over. Met een zucht neem ik haar eeuwige kus in ontvangst. Ze drinkt me helemaal op, tot er niets resteert behalve een hoopje spieren en botten dat eens een man was. Een paar bloedrode druppels vormen de kroon op mijn werk.

Het doek maakt deel uit van haar collectie. Het hangt aan de muur tussen alle andere schatten die zij gedurende haar lange leven vergaarde. Ze houdt woord: wanneer een enkeling vraagt wie de schepper is van dat ratjetoe aan gekleurde vegen, waarin ergens op de achtergrond een vrouwelijke figuur valt te ontwaren, dan vertelt ze ze mijn naam.

Ik leef voort. Voor eeuwig. Net zoals zij.

Geplaatst op

‘Fragmenten’ wint Edge.Zero

Gisteren (15 december 2018) werd de uitslag van Edge. Zero bekendgemaakt. Ik zat mijn adem al de hele dag gruwelijk in te houden, want inmiddels was bekend dat mijn inzending in ieder geval de top drie had gehaald. Tot mijn verrassing bleef het daar niet bij. ‘Fragmenten’ sleepte de eerste prijs in de wacht!

Een resultaat waar ik erg blij mee ben, want Edge.Zero zoekt jaarlijks de beste genreverhalen bij elkaar en dit jaar leverde dat een erg sterke bundel op, waarin veel zeer gewaardeerde collega’s zijn opgenomen.

Wat is Edge. Zero?

Edge.Zero beleefde dit jaar zijn derde editie. Het is de liefdesbaby van Mike Jansen en Peter Kaptein, die hun krachten bundelden om genreverhalen geschreven door oorspronkelijk Nederlandstalige auteurs meer bekendheid te geven. Hiervoor bedachten zij een format: verhalen die hebben meegedongen aan genrewedstrijden of in een genretijdschrift zijn gepubliceerd kunnen meedingen. Deze inzendingen worden door een jury onder de loep  genomen. Dit proces resulteert in een long- en vervolgens een shortlist. De verhalen die de shortlist halen, worden in een bundel opgenomen die digitaal via diverse kanalen te krijgen is en als paperback op Amazon kan worden aangeschaft. Daarnaast worden alle schrijvers die in de bundel worden opgenomen per woord betaald.

Edge.Zero begint een begrip te worden in het genre, met dit jaar al meer dan 150 inzendingen. Een mix van door de wol geverfde auteurs en nieuw bloed geeft een goed beeld van wat er in Nederland en Vlaanderen binnen het genre speelt.

Meer over het project kan je lezen in het interview dat de heren onlangs gaven voor Leesclub De Perfecte Buren. Het interview lees je HIER.

‘Fragmenten’

Eerder schreef ik al een BLOG over ‘Fragmenten’ en hoe bovenstaande foto mij ertoe inspireerde om dit verhaal te schrijven. Soms komt een idee ‘aanwaaien’ en weet ik al schrijvende dat ik iets in handen heb. ‘Fragmenten’ is zo’n verhaal, een mij bijzonder dierbare vertelling over de kwetsbaarheid van liefde. Daarom heb ik het verhaal gekoesterd en gewacht op de juiste momenten om het in de wereld te zetten. Het werd geschreven voor de ‘Tijd & Ruimte’ wedstrijd van Luitingh-Sijthoff en Elfia. Daar behaalde het de tweede plaats. Vervolgens heb ik er een paar jaar overheen laten gaan. Jurysamenstelling dwarsboomde deelname aan een grote wedstrijd tot twee keer toe, omdat de schrijver anoniem moet blijven.

Hoewel ik (vrij onbescheiden) het gevoel had dat ik een winnaar in handen had, nam ik het besluit om mijn pijlen niet langer op deze wedstrijd te richten en stuurde het verhaal op naar Fantastels. Daar behaalde het eerder dit jaar de vierde plaats. Ik maakte het rondje af door ‘Fragmenten’ in te sturen naar Edge.Zero. Toen het daar de shortlist haalde en in de bundel werd opgenomen, kon het eindelijk door iedereen gelezen worden. Dat was een bijzonder moment, na zoveel jaar wachten.

Je kan ‘Fragmenten’ nog steeds helemaal kosteloos lezen op de website van Edge.Zero. Daar zijn alle verhalen die dit jaar meedongen gratis beschikbaar. Ga er lekker voor zitten en lees de beste genreverhalen van 2017, want er zitten heuse pareltjes tussen.

Geplaatst op

Bloedwetten: Verlossing wint Indie Award!

Bloedwetten: Verlossing wint The Indie Awards Publieksprijs voor Beste Boek 2017!

The Indie Awards zijn een literaire prijs speciaal in het leven geroepen om de schrijvers die hun werk in eigen beheer uitgeven in het zonnetje te zetten.Wat een enorme eer dat Bloedwetten: Verlossing de publieksprijs voor Beste Boek 2017 in ontvangst mocht nemen!

Verlossing stond in drie categoriën op de shortlist:

  • Publieksprijs spannendste boek
  • Publieksprijs beste boek
  • Juryprijs beste boek

Ik ben enorm blij met deze prijs en wil iedereen die heeft gestemd enorm bedanken voor alle steun. Een opsteker zoals deze geeft me echt de moed om door te gaan, want zoals velen van jullie weten is het niet altijd even makkelijk om zelf de regie over het hele proces te moeten voeren. Dat gezegd hebbende, ben ik enorm blij dat het mogelijk is om als schrijver ook je eigen boeken uit te geven, waardoor mijn verhalen tóch stilaan hun weg naar het publiek vinden. Ondanks alle uitdagingen doe ik dat zelf uitgeven met hart en ziel en ik hoop jullie in de toekomst op nog veel mooie boeken te kunnen trakteren.

De officiële bekendmaking: