Geplaatst op

Leesproef 1000 nachten ter ere van Internationale Vrouwendag

Ter ere van Internationale Vrouwendag én om te vieren dat 1000 nachten op de shortlist van The Indie Awards staat trakteer ik jullie vandaag integraal op het eerste hoofdstuk van 1000 nachten.

Madame LaSoeur is zonder meer de sterkste vrouw die tot op heden uit mijn pen vloeide. Tevens is zij de eerste vrouw aan wie ik een roman wijdde. Het is dus niet vreemd dat ze weigert om me los te laten. Enjoy!

I/1

Achter mij nadert het doffe dreunen van paardenhoeven. Mijn voeten glijden weg. Het losse zand van de woestijnduinen biedt nauwelijks houvast. Ik verlies mijn evenwicht, maar weet ternauwernood te voorkomen dat ik gestrekt ga en klauter op handen en voeten tegen het wegglijdende zand op. Ik zag zonet mijn kans schoon toen de in indigo gehulde mannen op hun knieën zaten te bidden, zoals ze bij elke schemering en morgenstond doen. Dit is mijn laatste kans om aan de mannen die mijn karavaan overvielen te ontsnappen en ik grijp hem bij zijn kladden.

De vrouwen uit mijn gevolg die eveneens een vluchtpoging wagen worden door de indigo rovers ingesloten en overmeesterd. Enkelen van hen verweren zich fel. Ze laten zich niet langer gedwee gevangenhouden. Met hun blote handen gaan ze de overweldigers te lijf. Hun moed zorgt voor de afleiding die ik nodig heb om mijn voorsprong verder uit te bouwen.

Lang niet alle vrouwen die onder de vlag van het huis Barlieux reizen zijn zo dapper. De drie dienstmaagden bijvoorbeeld die in deze woestenij zijn geboren, zijn vervuld met een ongezonde angst voor de indigo rovers. Blauwe Lijken, zo noemen zij ze, verschijningen waarover met gedempte stem rond het kampvuur wordt gesproken, dienaren van een meedogenloze zwarte koningin die aan het hoofd staat van een leger van bloedhongerige vrouwen.

Ik ben er de persoon niet naar om in dergelijke sprookjes te geloven, ook al ben ik bekend met soortgelijke vertellingen over van mensenbloed afhankelijke wangedrochten. Maar sinds de blauwe mannen mijn karavaan overvielen, komt het me voor dat ik die fabeltjes even dorstig in me had moeten opnemen als de andere lessen waarin de dienstmaagden van mijn toekomstige echtgenoot mij kwamen onderwijzen. Ik had die niet op voorhand als op sensatie beluste vertellingen van de hand mogen wijzen.

Hoe het ook zij, de Blauwe Lijken schromen niet om geweld te gebruiken. Tot nu toe behandelden ze hun gevangenen met respect, maar die tijden zijn voorbij. Ik sluit me af voor de pijnkreten die de avondlucht doorklieven. Het blijft deze keer niet bij een oorvijg die de vrouwen in het gareel slaat.

Sommigen van hen ken ik sinds mijn geboorte. Het idee om ze achter te laten verscheurt me, maar ze verwachten dat ik deze kans benut. De kleine voorsprong die ik heb mag ik niet kwijtspelen.

Slechts een van de rovers is op zijn paard gesprongen om de achtervolging in te zetten. Ik ben immers maar een bediende, niet meer mankracht waard. De grote schat van de karavaan is veiliggesteld. Haar rijkversierde bruidsstoel staat beneden in de duinpan, omringd door een handjevol Blauwe Lijken. Hoe groot de chaos ook wordt, zij wijken niet van hun plek. Ze bewaken de draagstoel, zodat de vracht hun niet ontglipt. Tegelijkertijd dragen zij er zorg voor dat niemand die benadert. In de draagstoel bevindt zich de mooiste vrouw van het hoog-Noorden. Tenminste, dat denken de Blauwe Lijken.

Die vrouw is onderweg naar haar bruidegom. De verhalen over haar onmetelijke schoonheid zijn haar vooruitgesneld en hebben haar tot het doelwit van de woestijnrovers gemaakt.

Dagen geleden overvielen zij de karavaan. Sindsdien leven mijn gevolg en ik in angst. Angst dat ze ontdekken wie ik werkelijk ben, angst dat ze genoeg van ons krijgen en ons zonder pardon over de kling jagen, net zoals ze deden met de mannen die de huwelijksstoet begeleidden. Of erger …

Man en paard zwoegen in mijn kielzog. De ruiter laat zijn zweep door de lucht ketsen. De knal is bedoeld om mij tegen te houden, niet om zijn rijdier aan te sporen. Hij brult een commando in die vreemde taal waarin de rovers onderling spreken. Zijn stem klinkt gehavend, rauw als gescheurd vlees. Ik zou hem waarschijnlijk ook niet verstaan als ik zijn taal sprak.

Het is een bekeken zaak, maar ik geef niet op. Ik richt mijn aandacht op de top van de zandheuvel en ploeter verbeten voort. De opgehoopte berg stuifzand is immens en ik betwijfel of het me gaat lukken hem te bedwingen. Maar ik moet. Daarachter wacht de redding. Einar en Harald hebben meer dan voldoende tijd gehad om mijn toekomstige echtgenoot te bereiken. Gezamenlijk zullen ze mij en mijn gevolg uit de klauwen van de overvallers redden. Zij zullen niet toestaan dat die woestelingen ons naar de rode rotspartij voeren die vandaag aan de horizon opdook. Die rotsen zijn onze eindbestemming, de plek waar de gemaskerde mannen zich elke zonsopgang en -ondergang naartoe buigen om te bidden. Als ze me daarnaartoe leiden is alles verloren, dan val ik in handen van de persoon die zij dienen. Yara en de twee dienaressen van mijn toekomstige echtgenoot fluisteren diverse namen in hun moedertaal, het Arabesch: de zwarte koningin, de eeuwige, de bloeddorstige en meer van dat soort met bijgeloof doorspekte overdrijvingen. Eén naam keert steeds terug, een woord waarvoor zij geen vertaling kennen, een woord waar in zijn simpelheid een grote dreiging van uitgaat: Rah.

Tegen de tijd dat ik de duintop bereik schrijnt mijn keel en pompt mijn hart als bezeten. Mijn adem giert door mijn longen. Het fijne zand is door mijn sluier heen gewaaid. Het knarst tussen mijn tanden die ik gefrustreerd over elkaar maal.

Zandduinen, de late avondzon en een onmetelijke leegte strekken zich tot in de verte uit. Nergens een levende ziel te bekennen, laat staan mijn broer, mijn neef en het leger van Och al Zaraf.

Lamgeslagen staar ik voor me uit. Ik bal mijn vuisten.

Waar blijven ze? Wat is er gebeurd? Einar zou me nooit aan mijn lot overlaten.

Mijn achtervolger manoeuvreert zijn paard behendig door het zand. Hij kent geen haast. Ik kan nergens heen, niet zonder water of rijdier, met onvoldoende kennis van dit land. Hij weet het. Ik weet het. Ontsnappen is zelfmoord.

Net zoals alle Blauwe Lijken draagt hij een bronzen masker dat zijn trekken verhult. Elk van die uitdrukkingsloze bronzen gezichten – alle identiek – is gedecoreerd met een patroon van vreemde tekens dat in het metaal is gedreven. Het masker van deze man is grotendeels bedekt met symbolen, terwijl andere Blauwe Lijken maar een paar daarvan op hun maskers dragen.

Hoewel zijn gezichtsuitdrukking een mysterie is hangt de spot waarmee hij mij in zich opneemt bijna tastbaar in de lucht. Aan zijn gordel draagt hij een kromzwaard tussen diverse andere steek- en snijwapens en een paar grote leren riemtassen. Met dat kromzwaard kan hij iemand zo de kop van de romp slaan; het lot dat de gewapende mannen trof die de karavaan begeleidden, een beeld dat nauwelijks van mijn netvlies wil wijken. Gedurende die momenten heb ik ondervonden dat een mens wel degelijk verlamd kan zijn van angst. Ik kon alleen maar toekijken hoe het mannelijke deel van mijn onderdanen als vee werd afgeslacht. Zelfs mannen die de wapens neerlegden en zich overgaven, kwamen zonder pardon aan hun eind.

Gelukkig reageerden een paar van mijn vrouwelijke bedienden op dat moment een stuk voortvarender dan ikzelf. Ze bedachten een plan om mij te beschermen. Voor ik kon weigeren was het uitgevoerd. Van bruid transformeerden zij mij in bediende. Mijn kamenier Imhilde trok mijn kleren aan en nam mijn plaats in de bruidsstoel in.

Mijn broer en neef hebben alleen hun hielen gelicht omdat ik het ze opdroeg, anders hadden ze zich ter plekke doodgevochten. Voor mij. Samen met een klein groepje mannen lukte het hen om zich het vege lijf te redden.

Volhouden, had Einar me vanaf de rug van zijn rijdier toegeroepen. Wat er ook gebeurt, volhouden. Hij had de bezorgdheid niet uit zijn stem kunnen weren. Ongetwijfeld vreesde hij voor dezelfde verschrikkingen als ik. De eer van een vrouw is weinig waard in deze streken, die van een trofee zoals ik zeker niet. Op dat moment had ik hem bijna gesmeekt om op me te wachten, maar in plaats daarvan brulde ik hem toe dat hij zijn paard de sporen moest geven.

Sindsdien is de zon tien keer opgekomen. Hij en Harald hadden allang terug moeten zijn; we waren nog maar een paar dagreizen verwijderd van het paleis van mijn toekomstige echtgenoot, Dhamid och al Zaraf, krijgsheer van de noordoostelijke zandduinen, toen de Blauwe Lijken toesloegen.

Ik werp een blik achter me. De bruidsstoel en alle personen daaromheen zijn niet meer dan minuscule poppetjes in het zand. Imhilde moet doodsangsten uitstaan. De Blauwe Lijken zijn er nog steeds niet achter dat de persoon die zich in de draagstoel bevindt niet de grote buit is waar zij haar voor houden.

Als ik erin slaag om te vluchten teken ik haar doodvonnis en dat van de rest van mijn gevolg. Het weerhoudt me er niet van om de kans te grijpen. Het is mijn geboorterecht om mezelf te redden.

Ik neem de zwijgzame indigoruiter met zijn bronzen masker in me op. Hij bezit alles wat nodig is om te kunnen overleven in dit barre klimaat: beschermende kleding, een gevulde waterzak, rantsoenen en een rijdier.

De andere vrouwen die probeerden te vluchten, zijn inmiddels overmeesterd en worden door zijn kameraden in bedwang gehouden. Een paar van mijn bedienden liggen roerloos op de grond. Zij zullen nooit meer een kreet slaken.

Niemand besteedt aandacht aan het tweetal op de top van het zandduin: de gevluchte bediende en haar achtervolger. Als het me lukt om nóg meer afstand tussen hen en ons te creëren heb ik alleen hem als tegenstander. Nu Einar en Harald hun plicht verzaken, zal ik mezelf moeten redden.

Voordat ik me kan bedenken zet ik een grote stap voorwaarts en nog een en nog een, aan de andere kant van de zandduin naar beneden roetsjend. Al snel verlies ik mijn evenwicht en rol ik door het zand. De vaart waarmee ik naar beneden duikel neemt toe. Angst giert door mijn keel. Ik houd mijn adem in, bang om in het opstuivende zand te stikken. Mijn hoofddoek, sluier en opgestoken haren worden losgerukt. Ik strek mijn armen uit om mijn lichaam tot stilstand te brengen. Ik ga veel te hard en mag van geluk spreken dat ik de roetsjpartij zonder botbreuken doorsta. Door elkaar gerammeld en diverse blauwe plekken rijker kom ik tot stilstand. Zandkorrels schieten mijn longen in, waardoor ik in een hoestbui uitbarst. Ik veeg het zand van mijn lippen en moet mezelf noodgedwongen de tijd geven om op adem te komen.

Ruiter en paard naderen. De man is afgestegen om het dier te ontlasten en de kans op verwonding minder groot te maken. Hoewel zijn bewegingen kalm zijn en hij nog steeds geen haast lijkt te kennen, spuugt zijn hele houding vuur.

Ik wacht met overeind komen tot hij me heeft bereikt, elke seconde benuttend om het duizelen in mijn hoofd tot stilstand te brengen. Achteloos trek ik de laatste spelden uit mijn verfomfaaide kapsel. Ellenlange blonde lokken tuimelen over mijn schouders. Het zand uit mijn haren schuddend sta ik op. Bedaard neem ik hem in me op. Mijn schouders, armen en voorhoofd zijn verbrand door de woestijnzon, maar die imperfecties doen niets af aan mijn uitstraling. De gedweeë houding van een bediende valt van me af. Ik strek me tot mijn volle lengte uit als een bloem die naar het zonlicht hunkert en toon me in al mijn glorie aan hem.

Hij blijft op een paar passen afstand staan en staart terug, gevangen door mijn helderblauwe ogen.

Ademloos.

Ik ben niet anders gewend. Geen man is tegen mijn schoonheid bestand en voor mannen uit deze streken ben ik een heus mirakel, een levensvorm die ze niet eerder aanschouwden, met mijn lelieblanke huid, blauwe irissen en lichtblonde haren.

Zijn kleding heeft dezelfde diepblauwe kleur als de vroege avond die zich over het firmament uitstrekt. Meerdere lagen stof omhullen zijn gestalte, maar zijn onderarmen en kuiten steken bijna als stokjes uit het volumineuze silhouet. Armen en benen zijn strak omwonden met stroken stof in dezelfde tinten als de rest van zijn uitdossing. Zijn handen en polsen, voeten en enkels zijn overdekt met blauwe kleurstof die lijkt af te bladderen. Een tagelmust bedekt zijn hoofd en een deel van zijn gemaskerde gezicht. Leren kettingen vallen over zijn borst. Daaraan hangen tientallen kleine, rechthoekige leren pakketjes met daartussen wat kralen van barnsteen en lapis lazuli, metalen amuletten en andere rotzooi, waaronder een stuk gedraaide antilopehoorn en een stel oude munten. Uitdrukkingsloos brons verhult zijn trekken.

Wat zou de betekenis zijn van de tekens die zijn masker overdekken? Zijn het woorden gericht tot de goden? Magische spreuken? Of misschien vertellen ze zijn levensverhaal en is hij een open boek voor iedereen die zijn taal beheerst. Nu ik hem goed bekijk, valt het me pas op dat de tekens grotendeels hetzelfde zijn. Erg ingewikkeld lijkt zijn verhaal dus niet.

De amuletten aan het tuig van zijn paard tikken tegen elkaar. Ze zingen een heldere, maar simpele melodie. Samen met het geluid van zijn en mijn ademhaling zijn het de enige klanken die de stilte van de vallende avond doorbreken. Als betoverd neemt hij mij in zich op.

‘Geef mij je rijdier en mantel,’ zeg ik in het Arabesch, in de hoop dat hij dat verstaat. Kennelijk wel, want hij begint aan de sluiting van het kledingstuk te frunniken. Een zelfvoldaan glimlachje trekt aan mijn mondhoeken, maar ik zorg ervoor dat de triomf niet in mijn ogen doorschemert, zodat het lijkt alsof ik hem lieflijk toelach. Ik overwin alle schroom en loop op hem af, overtuigd dat ik hem getemd heb.

Galant slaat hij zijn mantel om mijn schouders. Ik nestel me in de stof, maar hij laat niet los en trekt me naar zich toe. Hij spreekt in die verschrikkelijke taal van hem; een hond die zich verslikt.

Mijn hart schiet naar mijn keel. Angst dreigt me te overrompelen. Maar ik sta het niet toe. Ook al ben ik in een gouden kooi grootgebracht, ik weet heel goed hoe ik van me af moet bijten. Geen wonder met zulke vechtjassen van broers. De meesten van hen kan ik eronder krijgen. Ik ben lang voor een vrouw en zeker niet zwak. Alleen van Einar win ik nooit. Hij is de sterkste krijger van het huis Barlieux.

Mijn onderarmen stoten tussen de armen van het Blauwe Lijk door en slaan die van hem uiteen. Zo dwing ik hem om mij en de mantel los te laten. Voordat de stof het zand raakt verankeren mijn vingers zich achter zijn masker. Ik wil dat die lafaard zijn gezicht aan me laat zien en geef een flinke ruk. Een van de leren riempjes breekt. Na nog een ruk schiet het masker los. Ik laat het brons meteen vallen, zodat ik mijn handen vrij heb.

De man is van zijn à propos omdat een vrouw terugvecht. Hij onderneemt niets om zichzelf te beschermen. Ik maak gebruik van zijn verwarring en stoot mijn knie omhoog. Ik mis zijn kruis op een haar na, maar zelfs dán zou de dreun meer dan voldoende moeten zijn om een man dubbel te laten klappen van de pijn.

De aanval laat het Blauwe Lijk onberoerd. Onbewogen staat hij daar. Hij lijkt wel van steen. Zijn gebrek aan reactie is niet de reden dat ik achteruitdeins.

Onder het bronzen masker is een wanstaltig gezicht vandaan gekomen, een gemartelde tronie overdekt met een lappendeken van roze en witte huid, volledig ontdaan van haargroei. Zelfs wimpers en wenkbrauwen heeft hij niet. Bleke, niets ziende ogen staren dwars door me heen. Zijn lippen liggen als dode slakken over zijn tanden. Van zijn oorschelpen is niets over behalve een stel verschrompelde klompjes. Geen wonder dat het masker zo makkelijk losliet.

Wat is dit voor gruwelijk gedrocht? Het lijkt alsof zijn vlees is gesmolten en lukraak weer op zijn botten geplakt. Zijn afstotelijke uiterlijk laat nieuwe woede in mij ontvlammen. Waar haalt deze wangestalte het lef vandaan om míjn karavaan te overvallen? Om míjn onderdanen de kop af te hakken en míjn broer en neef ertoe te dwingen als laffe honden op de vlucht te slaan?

Maar toch staat hij daar, zwaar ademend alsof elke hap lucht hem kwelt. Hij doet een grote stap naar voren en grijpt me opnieuw beet, bij mijn schouders deze keer, stevig genoeg om me helemaal beurs te knijpen. Zijn geduld is op, maar dat kan me niet schelen. Ik verdraag zijn handen niet op me en sommeer hem om met zijn smerige poten van me af te blijven.

‘Weet je wel wie ik ben?!’ Ik flap het eruit voor ik er erg in heb, maar hij lijkt me niet eens te horen. Ik graai naar een van de dolken aan zijn riem, nog steeds niet klaar om mijn verzet op te geven. Zijn donkerblauw gekleurde vingers grijpen mijn hals. Het staat buiten kijf dat hij me iets verschrikkelijks kan aandoen zonder er een moment over na te denken.

Net op tijd weet hij zich te bedwingen, alsof hij zich herinnert dat zijn eigen emoties onbelangrijk zijn. Hij smijt me op de grond en wikkelt zijn mantel strak om mijn lichaam. Voordat ik nog iets kan doen gooit hij me over de rug van zijn paard, terwijl ik spartelend foeter dat hij me onmiddellijk moet laten gaan.

***

Heb je genoten van deze gratis leesproef, dan kan je via deze link het boek (gesigneerd) bestellen.

Geplaatst op

‘Fragmenten’ wint Edge.Zero

Gisteren (15 december 2018) werd de uitslag van Edge. Zero bekendgemaakt. Ik zat mijn adem al de hele dag gruwelijk in te houden, want inmiddels was bekend dat mijn inzending in ieder geval de top drie had gehaald. Tot mijn verrassing bleef het daar niet bij. ‘Fragmenten’ sleepte de eerste prijs in de wacht!

Een resultaat waar ik erg blij mee ben, want Edge.Zero zoekt jaarlijks de beste genreverhalen bij elkaar en dit jaar leverde dat een erg sterke bundel op, waarin veel zeer gewaardeerde collega’s zijn opgenomen.

Wat is Edge. Zero?

Edge.Zero beleefde dit jaar zijn derde editie. Het is de liefdesbaby van Mike Jansen en Peter Kaptein, die hun krachten bundelden om genreverhalen geschreven door oorspronkelijk Nederlandstalige auteurs meer bekendheid te geven. Hiervoor bedachten zij een format: verhalen die hebben meegedongen aan genrewedstrijden of in een genretijdschrift zijn gepubliceerd kunnen meedingen. Deze inzendingen worden door een jury onder de loep  genomen. Dit proces resulteert in een long- en vervolgens een shortlist. De verhalen die de shortlist halen, worden in een bundel opgenomen die digitaal via diverse kanalen te krijgen is en als paperback op Amazon kan worden aangeschaft. Daarnaast worden alle schrijvers die in de bundel worden opgenomen per woord betaald.

Edge.Zero begint een begrip te worden in het genre, met dit jaar al meer dan 150 inzendingen. Een mix van door de wol geverfde auteurs en nieuw bloed geeft een goed beeld van wat er in Nederland en Vlaanderen binnen het genre speelt.

Meer over het project kan je lezen in het interview dat de heren onlangs gaven voor Leesclub De Perfecte Buren. Het interview lees je HIER.

‘Fragmenten’

Eerder schreef ik al een BLOG over ‘Fragmenten’ en hoe bovenstaande foto mij ertoe inspireerde om dit verhaal te schrijven. Soms komt een idee ‘aanwaaien’ en weet ik al schrijvende dat ik iets in handen heb. ‘Fragmenten’ is zo’n verhaal, een mij bijzonder dierbare vertelling over de kwetsbaarheid van liefde. Daarom heb ik het verhaal gekoesterd en gewacht op de juiste momenten om het in de wereld te zetten. Het werd geschreven voor de ‘Tijd & Ruimte’ wedstrijd van Luitingh-Sijthoff en Elfia. Daar behaalde het de tweede plaats. Vervolgens heb ik er een paar jaar overheen laten gaan. Jurysamenstelling dwarsboomde deelname aan een grote wedstrijd tot twee keer toe, omdat de schrijver anoniem moet blijven.

Hoewel ik (vrij onbescheiden) het gevoel had dat ik een winnaar in handen had, nam ik het besluit om mijn pijlen niet langer op deze wedstrijd te richten en stuurde het verhaal op naar Fantastels. Daar behaalde het eerder dit jaar de vierde plaats. Ik maakte het rondje af door ‘Fragmenten’ in te sturen naar Edge.Zero. Toen het daar de shortlist haalde en in de bundel werd opgenomen, kon het eindelijk door iedereen gelezen worden. Dat was een bijzonder moment, na zoveel jaar wachten.

Je kan ‘Fragmenten’ nog steeds helemaal kosteloos lezen op de website van Edge.Zero. Daar zijn alle verhalen die dit jaar meedongen gratis beschikbaar. Ga er lekker voor zitten en lees de beste genreverhalen van 2017, want er zitten heuse pareltjes tussen.

Geplaatst op

De zwerftocht van een verhaal

Deze antieke foto van een moeder met haar overleden kind inspireerde mij in 2015 tot het schrijven van een verhaal. De afwezige blik in haar ogen, het ongeloof over het overlijden van haar kind, hoe ze zich ergens geen houding kan geven – haar rechterhand geforceerd tegen haar gezicht gedrukt alsof ze haar eigen kind liever niet meer aanraakt – dit alles bij elkaar veroorzaakte een kettingreactie in mijn gedachten. Het gevoel dat overheerste was dat deze vrouw zo verschrikkelijk hard ergens anders wilde zijn. Overal is beter dan poseren voor een fotograaf met haar dode kind op schoot.

Zo werd het verhaal geboren over de liefde tussen een gewone man en een tijdzwemster. Doordat zij steeds door de tijd valt, bestaat hun liefdesleven uit fragmenten. Dat werd ook de titel van het verhaal: Fragmenten.

Ik zond het in naar de door LS en Elfia uitgeschreven wedstrijd met het thema Tijd en Ruimte. Het behaalde de tweede plaats. Het verhaal was me zo dierbaar dat ik er nog meer mee wilde. Helaas kon ik het niet inzenden naar een andere wedstrijd vanwege de jurysamenstelling (de meeste wedstrijden eisen dat een verhaal anoniem gejureerd kan worden) en ook het daarop volgende jaar dwarsboomde hetzelfde jurylid bij diezelfde wedstrijd dat ik het verhaal kon inzenden. Uiteindelijk koos ik ervoor om het verhaal mee te laten dingen als veteraan bij Fantastels. Dat bood de mogelijkheid om een verhaal – mits anoniem – in te dienen dat reeds aan een andere wedstrijd had deelgenomen. Gisteren werd bekend dat het verhaal daar de vierde plaats had behaald (onder de titel ‘Ontmoetingen’, vanwege die anonimiteit). Lang niet slecht met 93 deelnemende verhalen.

De jury was verdeeld, zoals meestal het geval is. Een paar fragmenten uit het commentaar:

‘Wat een verzengende liefde en wat een hartverscheurend verdriet. Het verhaal is zo goed als gereed voor publicatie en zou niet misstaan in een serie als Splinters van Quasis.’ (Alle verhalen werden anoniem gejureerd en dit jurylid wist niet dat er al een Splinter van mijn hand is verschenen, dus dit was een grappig detail.)

‘Een heerlijk verhaal vol weemoed, met veel gevoel voor sfeer geschreven en zeer goed opgebouwd.’

Maar er klonken ook kritische noten:

Een jurylid vond dat hij niet voldoende met de hoofdpersonen kon meeleven. Bovendien vond hij het onwaarschijnlijk dat een tijdreiziger in armoede leeft, want een tijdreiziger heeft voorkennis. (Hoe langer ik hierover nadenk, hoe beter ik door deze redenatie heen kan prikken, maar dat maakt zo’n juryrapport juist interessant.)

Weer een ander jurylid vond dat ik griezelig dichtbij ‘The timetraveler’s wife’ kwam met mijn vertelling. Die opmerking heb ik ook gehoord van proeflezers, dus het zal wel kloppen. Zelf kan ik beamen noch ontkennen, want ik heb het boek niet gelezen en de film niet gezien.

Zo gaat dat soms: een idee komt aanwaaien zonder dat je weet dat een andere schrijver al eens een soortgelijk iets heeft gebruikt. Ik laat het verhaal in zo’n geval gewoon worden wat het in mijn ogen moet zijn, want feitelijk bestaan er geen originele ideeën meer. Waarvan de een vindt dat het verhaal schatplichtig is aan het een of ander, daarvan vindt een ander juist dat het origineel is (zo ook in de jury van Fantastels, want een ander jurylid vond het juist ‘buitengewoon origineel bedacht’).

Ik moet eens kijken wat ik met het jurycommentaar ga doen en óf ik het verhaal ga aanpassen (verhaallijn, plot). Ik heb het onlangs  nog eens gelezen en wat ik zelf het liefst (gedeeltelijk) zou veranderen is het taalgebruik. Ik begin namelijk het al te barokke proza achter me te laten en begin steeds meer to the point te schrijven en heb het gevoel dat vooral de dialogen natuurlijker zouden kunnen.

Hoe dan ook: het verhaal is nu na drie jaar rondzwerven in anonimiteit eindelijk vrij van ‘wedstrijdplichten’ en ik kan niet wachten om het jullie te laten lezen.

 

Geplaatst op

Inspiratieblog ‘Gedichten van licht en schaduw’

Speciaal voor Halloween duik ik wat dieper in de achtergrond van ‘Gedichten van licht in schaduw’ en wat mij ertoe inspireerde om het verhaal te schrijven.

Vlak nadat ik door Martijn Lindeboom was gevraagd om een verhaal te schrijven voor een horrorbundel die in het najaar van 2016 bij Luitingh-Sijthoff zou verschijnen, stuitte ik op Pinterest (waar ik veel inspiratie vandaan haal) op een foto gemaakt door de pionier van de Parijse misdaadfotografie, Alphonse Bertillon.

Ik had Martijn om een paar dagen bedenktijd gevraagd, want ik zat midden in het schrijven van Bloedwetten: Verlossing en wist niet of ik me daar op korte termijn uit kon losrukken. Bovendien schrijf ik met een slakkengang en komen ideeën mij (doorgaans) niet aanwaaien.

Dankzij die ene foto (achter af gezien weet ik niet eens meer welke) begonnen de radertjes te ratelen. Hoe gruwelijk die afbeeldingen ook zijn, ze bezitten ook een bijna kunstzinnige schoonheid. Zo werd het idee geboren van een seriemoordenaar die samen met een fotograaf kunst maakt. De aparte manier van fotograferen heeft meteen de eerste scène van het verhaal geïnspireerd (zie foto-collage boven). Let ook op de poot van het statief dat op een paar afbeeldingen hier onder zichtbaar is.

Qua inspiratie bevond ik me meteen de Belle Epoque van Parijs en wat past daar nou beter bij dan een flink glas vol absint? Veel kunst in die tijd is geschapen onder invloed van de groene fee, zo zouden de cirkels in ‘De sterrennacht’ van Van Gogh een directe gevolg van absintgebruik zijn.

Ik zette mijn zoektocht op Pinterest voort en vond de ene na de andere afbeelding die mijn gedachten op hol liet slaan. De vervallen straatjes van Montmartre, de bouw van de Eiffeltoren, de dames met hun ingesnoerde tailles. Ach, wat een romantiek.

De opkomst van de fotografie is op zichzelf al een mooi onderwerp om je in te verdiepen. Zo ontdekte ik het bestaan van een fototoestel dat op een zakhorloge leek. Tja, dat moest natuurlijk een rol krijgen in het verhaal.

Als ik al die afbeeldingen zo bekijk, raak ik ervan doordrongen dat ik met liefde nogmaals naar de Belle Epoque zou terugkeren. Wat mij betreft is het niet uitgesloten dat het bij één bezoek blijft.

Speciaal voor Halloween en dit blog, heb ik een filmpje opgenomen waarin ik uit ‘Gedichten van licht en schaduw voorlees.

Alle afbeeldingen komen uit mijn inspiratiemap op Pinterest. Je kan die hier bekijken. Ook leuk als je me daar volgt. Dan kan je o.a. zien wat mij zoal visueel inspireert bij het schrijven van mijn verhalen.

 

Geplaatst op

Boekpresentatie Bloedwetten: Verlossing, een terugblik

Na langer dan anderehalf jaar bijna dag in dag uit met Bloedwetten: Verlossing bezig te zijn geweest, was het op 29 april jongstleden zover en mocht ik het boek op Elfia Haarzuilens in de prachtige kapel van het landgoed presenteren. De opkomst was boven verwachting. Met de hulp van diverse vrienden heb ik er een geweldig feestje van gemaakt.

Nadat Jasper Polane mij had geïntroduceerd en ik alle aanwezigen had verwelkomd, verzorgde Gewendolyn Snowdon een muzikaal intermezzo.

De première van de boektrailer viel helaas grotendeels in het water door overbelichting. Zelfs ik kon daar hartelijk om lachen, want dergelijke ups en downs typeren het hele proces van zelf je boeken uitgeven. De speciaal door Lon Snow gecomponeerde muziek klonk in ieder geval prachtig dankzij de akoestiek van de kapel. Je kan de boektrailer HIER in zijn geheel bekijken.

Natuurlijk had ik iets bijzonders voor alle aanwezigen in petto. Niet het doorsnee ‘schrijver leest voor, publiek dommelt weg’-momentje, maar een Bloedwetten pastiche, waarin diverse vrienden die in het publiek zaten een rol speelden. Johan Klein Haneveld liet zijn machtige stem over alle aanwezigen schallen toen hij in de rol van Kushir voor zijn rekening nam. Hij verraste zelfs mij door de tekst daadwerkelijk te zingen! Linda van Oostendorp vertolkte een niet zo lieftallige Maïa van Minnewold en Roderick Leeuwenhart zette zijn tanden in de rol van Victoire Rousseaux d’Hubertin., inclusief dode poedel als bontmanteltje (het meest dandy-eske kledingstuk dat hij in de kast van zijn vriendin had kunnen vinden).

Tot besluit was er een boekverloting en was het dringen geblazen om een boek mét handtekening te bemachtigen. Volgens Linda ben ik de langzaamste boeksigneerder ever. Een titel die ik met trots draag, omdat ik in elk boek iets anders probeer te schrijven.

Het signeren ging door tot in het voorportaal van de kapel, zodat de volgende presentatie kon beginnen.

Moe maar voldaan keerden de heldinnen terug naar hun kraam, want er wachtte nog een heel Elfia op hen, vol schitterend uitgedoste bezoekers waarvan er diverse een exemplaar van Bloedwetten: Verlossing kwamen halen. En uiteindelijk is het schrijversleven altijd weer met je beide beentjes op de grond staan en gewoon je eigen prakkie koken.

Bedankt aan iedereen die erbij was en die heeft meegeholpen om het zo’n fijne en gedenkwaardige dag te maken!

Bloedwetten aanschaffen? Dat kan HIER.

Foto’s: Hans Glaudemans

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Geplaatst op

Over vriendschap en uitgeven

www.bloedwetten.comToen Jasper mij vroeg of ik een blog wilde schrijven voor de blogtour ter ere van zijn nieuwste roman Wolvinnen van Otrostaadt,  zei ik zonder nadenken ‘ja!’. Daar ben ik namelijk goed in, zonder nadenken ‘ja!’-zeggen.  Vervolgens rees de vraag in welke vorm dit blog te gieten. Een interview? Ging al gebeuren. Elkaar interviewen dan? Ook al gedaan. Bovendien hadden we we ons dan verplicht gevoeld een antwoord te geven op de veel gestelde en o zo ongemakkelijk vraag of we een stel zijn. Zelfs het ludieke idee om Edison en Storm elkaar te laten interviewen kwam voorbij, maar uiteindelijk ketste dat ook af, omdat je als lezer daarvoor beide boekenreeksen moet kennen. Een ideetje dat we op de plank ‘wellicht voor in de toekomst’ leggen.

Nadat ik me vorige week naar Leiden had gerept om bij de boekpresentatie van Wolvinnen aanwezig te zijn, gezellig een nachtje in Huize Polane bleef logeren om de volgende dag een dagje markt mee te draaien, kwam ik op het idee waar ik het in dit blog over wil hebben. Want hoe is dat nou eigenlijk gekomen, die nauwe samenwerking tussen Quasis en Staaldruk/Bloedwetten?

Begin november 2014 had ik de first draft van Bloedwetten al een paar maanden af en ik was druk bezig met herzien. Het plan was om, indien geen van de uitgevers waar ik het manuscript naartoe had gestuurd met een contract zou zwaaien, ik het boek zelf zou uitgeven. Hoe precies, was nog de grote vraag. Op mijn tijdlijn op Facebook zag ik een interview met ene Jasper Polane voorbijkomen, een stuk dat afkomstig was van de site die inmiddels is uitgegroeid tot  ’s Neerlands grootste lezerscommunity, Hebban. Daarin vertelde Jasper enthousiast over zijn debuut Lege Steden (een boek waarvan de thematiek me meteen aansprak) en hoe hij de publicatie door middel van crowdfunding had gefinancierd. Tot op dat moment had ik nog nooit van crowdfunding gehoord, niet bewust in ieder geval. Het was zo’n moment waarop je een kwartje kon horen vallen. ‘Ga ik ook doen,’ dacht ik bij mezelf, ook al werd in het interview duidelijk dat het een pittige klus zou worden, maar ja, als ik me iets in mijn hoofd haal, hou me er dan maar eens van af.

Op de Midwinterfair in het Archeon, 2014 ontmoetten Jasper en ik elkaar voor het eerst. Lang hebben we toen niet kunnen praten, beiden aan het werk en Jasper op zondag geveld door een nare buikgriep. Kort daarna voerden we geheim beraad in de Bijenkorf te Amsterdam, waar ik Jasper het hemd van het lijf mocht vragen over de ins and outs van crowdfunding. Niet alleen was door dat interview op Hebban het idee ontstaan om publicatie van Bloedwetten op dezelfde manier aan te pakken, ook vertoonde ons werk enkele overeenkomsten. Inhoudelijk zouden de boeken zo naast elkaar kunnen staan in de boekhandel.

Ik sloeg aan het plannen en op de achtergrond heeft Jasper mij (samen met vele anderen) door de intensieve tijd rondom de crowdfunding geloodst. Onze vriendschap groeide en al gauw kwam het idee voor nauwere samenwerking ter sprake. De reden dat het er niet meteen van kwam, ligt geheel bij mij. Niet uit wantrouwen, maar juist uit een te groot gevoel van vertrouwen, want ergens geloof ik dat vriendschap en zaken gescheiden moeten blijven. En dus ging ik in zee met een uitgever die een week nadat ik had toegezegd uit elkaar klapte. Pas maanden later kreeg ik te horen hoe zaken ervoor stonden. Deze uitgever was een gevestigde naam binnen het genre en het leek een veilige keus. Een ervaring die mij vervolgens meer dan voldoende reden gaf om te twijfelen of ik er goed aan deed om met wie dan ook krachten te bundelen. Misschien was ik alleen beter af. Maar in je uppie met maar één boek op je naam is het praktisch onmogelijk om de kosten van een aansluiting bij het Centraal Boekhuis te dragen en bereik is voor een boek van levensbelang.

www.bloedwetten.comBegin 2016 bood Jasper aan om mijn uitgeverij Staaldruk als imprint bij Quasis onder te brengen, zodat het duidelijk mijn eigen hokje was waar ik kon doen en laten wat ik wilde, maar waar ik ook financieel volledig verantwoordelijk bleef. Toen wist ik dat ik geen reden meer had om te blijven twijfelen. We knutselden een contract in elkaar alsof we elkaars ergste vijanden waren, juist om ons ervan te vergewissen dat onze vriendschap overeind zou blijven. Daar moest op gedronken worden met Jip en Janneke bubbels!

Inmiddels verloopt de samenwerking soepel en voelt het alsof we elkaar al jaren kennen. We delen geregeld een kraam op evenementen, luchten ons hart als het tegenzit, smeden plannen voor de toekomst door de lat telkens net hoger te leggen dan waar we nu zijn, moedigen elkaar en remmen elkaar af wanneer nodig. Laatst hadden we nog de grap dat Jasper mij vaker ziet dan zijn vrouw, aan wie ik hier ook aandacht wil besteden: als ik het over Jasper heb, zeg ik automatisch ook Petra, want zij vormen als echtpaar de basis van Quasis. Niet alleen Jasper heeft me met open armen welkom geheten, maar ook Petra en daar ben ik reuze dankbaar voor.

www.bloedwetten.comEn dan die roman waar deze blogtour om te doen is, Wolvinnen van Otrostaadt, is die de moeite waard? Ik heb hem mogen proeflezen net zoals zijn voorganger Vorstin van de Kou en hoewel ik niet snel met sterren strooi (zeker niet omdat ik iemand toevallig ken) krijgt Wolvinnen van mij vier dik verdiende sterren. In de eerste twee delen van deze reeks, De Onzichtbare Maalstroom, miste ik iets. De rauwheid waar ik zelf zo verzot op ben, het net over de grens durven stappen. Het leek erop of Jasper er nog niet volledig voor ging, maar met Wolvinnen heeft hij zijn schroom laten varen en als schrijver een flinke stap voorwaarts gezet.

Dat is ook een voordeel van vrienden zijn, dat je zo’n proces van dichtbij mag meemaken en dat is mooi. Van een ander zien groeien, groei je zelf ook. Ik hoop dan ook dat we dat dichtgetimmerde contract nooit van stal hoeven halen, en dat we elkaar nog lang blijven steunen.

En als jullie me nu willen excuseren, dan ga ik die veren die ik net zo zorgvuldig in Jaspers achterwerk heb gestoken, er weer stuk voor stuk uit trekken. Ook dat is vriendschap.

 

Volg de hele blogtour hier

Lees recensies van Wolvinnen van Otrostaadt hier

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Geplaatst op

Twee jaar Bloedwetten

bw 2jaar‘Wakker geworden uit een droom met een krachtig verhaalidee in mijn hoofd.’ Deze woorden schreef ik vandaag twee jaar geleden op.

Die droom zou het begin zijn van Bloedwetten. Op dat moment kon ik niet bevroeden wat er allemaal uit die nachtelijke visioenen zou voortvloeien, dat ik nu zou zijn waar ik nu ben, met een succesvolle crowdfunding achter de rug, ontelbare avonturen op het vlak van selfpubben rijker én de uitgave van een eerste roman op zak. Ik heb zelfs voor publiek staan pitchen. Mijn broek zakt er nog geregeld van af.

Het zijn uitdagingen die mijn leven stuk voor stuk hebben verrijkt, me meer dan eens tot wanhoop hebben gedreven, maar uiteindelijk bleek er elke keer toch een manier te zijn om het onmogelijke mogelijk te maken. Met veel hulp en liefde van anderen en een torenhoge gunfactor, laat dat onbetwist zijn!

Als ik die eerste notities in mijn Morning Pages teruglees, koortsachtig neergekrabbeld vlak na ontwaken, verbaast het mij welke elementen van Bloedwetten er vanaf dat eerste moment aanwezig waren. Ik schreef:beer meisje

‘Essentie: een man wordt ‘geturnd’ door bende vampiers/demonen die de schurft aan hem hebben. Maar hij doet niet mee, wordt een vampier, maar schrijft zijn eigen regels. Hij drinkt geen bloed maar doet aan autotransfusie.’

Het was er allemaal: de verwekking door een gruwelijke moeder, het baren van je eigen ziel, de slachting in de chocolaterie. Het idee van je grootste vijand het eeuwige leven geven, zodat je hem eindeloos kan misbruiken. Ook de vleermuisbeer was van meet af aan van de partij. Waar kwamen de beelden die ik zo intens had ervaren vandaan?

dexterVoor het slapengaan had ik de allerlaatste aflevering van Dexter bekeken (de VPRO hield weer eens zo’n lekkere Dexter-marathon). Die laatste minuut verankerde zich in mijn hoofd. Het gevoel van verlatenheid en wanhoop liet me niet los tot in mijn diepste droomtijd. En ja, het rode haar van Storm is zowel een ode aan als een knipoog naar Dexter.

Na het neerkrabbelen van die Morning Pages ben ik gewapend met een extra stevig ontbijt naar mijn pc gerend, waar ik vervolgens uren heb zitten schrijven. Dat was me in jaren niet overkomen. De schrijfkoorts sloeg toe en heeft me niet meer losgelaten. Ik ben blijven schrijven, dagelijks, vele uren achter elkaar. Het verhaal werd een novelle, de novelle groeide uit tot een roman en de roman werd het eerste deel van een tweeluik en ook het tweeluik lijkt nog maar het begin. Prequels zijn in de maak. Bloedwetten wil naar bloedstollende hoogten groeien. Het dijt uit als een kracht die groter is dan mezelf.

Hoe nu verder? Momenteel werk ik keihard aan deel II. Het is een gecompliceerd boek met een rijke schare aan personages en een ingewikkelde intrige. De grootste uitdaging uit mijn schrijversbestaan tot nu toe. Het is tevens een koppig boek dat zich niet zonder slag of stoot laat schrijven. Maar ik heb het nu in de houdgreep – of laat het me alleen maar in die waan? – en ik laat het niet meer gaan. Op een publicatiedatum kan je me op dit moment nog niet vastpinnen, zeker niet na wat ik de afgelopen jaren allemaal heb geleerd. Er komt zoveel kijken bij het publiceren van een boek.

Wat ik wel kan vertellen is dat er binnenkort belangrijk nieuws over de toekomst van Bloedwetten en mijn uitgeverij Staaldruk wordt bekendgemaakt. Het belooft een eigenzinnige samenwerking te worden, tussen twee partijen die veel met elkaar gemeen hebben. Ik ben ervan overtuigd dat we elkaar naar (nog) grotere hoogten zullen tillen.

Op naar de toekomst!

*Bron foto’s eigen archieven en Google. Alle rechten bij de makers.

Geplaatst op

NaNoWriMo2015: De Uitdaging

Dit jaar doe ik voor het eerst met NaNoWriMo (National Novel Writing Month). Voor wie daar niet mee bekend is: iedere november gaan duizenden schrijvers wereldwijd collectief uit hun plaat door de uitdaging aan te gaan om 50.000 woorden gedurende de maand november te schrijven. Dat houdt in dat je minimaal 1667 woorden per dag moet produceren om op schema te blijven.

‘Yeah, right, 1667 woorden per dag, is dat veel?’ vraagt de niet-schrijver zich af? Even ter vergelijking als ik aan een boek of verhaal werk, schrijf ik meestal rond de 1000 woorden per schrijfavond. Een gemiddelde roman telt rond de 80 à 90.000 woorden. Bloedwetten is 130.000 woorden rijk en daar heb ik in totaal anderhalf jaar aan geschreven (inclusief een ontelbaar aantal drafts voor sommige scènes).

Dus ja, 1667 woorden per dag schrijven is in mijn geval een behoorlijke uitdaging. Voor mij is de voornaamste reden om deel te nemen mijn schrijfflow terugvinden. Tot die eerste november jongstleden – toen het hele spektakel van start ging – was het een jaar geleden dat ik aan iets nieuws werkte. Mijn inzending voor de Fantastels verhalenwedstrijd was het laatste nieuwe werk dat er uit mijn handen kwam. Er is bijna een heel jaar gaan zitten in Bloedwetten afwerken en publiceren.

En nu heb ik me dus ein-de-lijk op deel II van Bloedwetten kunnen storten, een verhaal dat ik langer dan een jaar met me meedraag. Allemaal dankzij het voornemen om het er dit jaar eens op te wagen en een nanospurt te trekken.

Maar waarom jezelf dwingen? Schrijven ís voor het grootste deel jezelf dwingen. Inspiratie moet je afdwingen. Het is de aloude kwestie van butt in chair en schermstaren, een woord bij zijn kladden grijpen en beginnen. Nano is niet anders dan wat ik doorgaans doe als ik aan een boek werk: gaan zitten en doen. That’s all there is to it. Eerlijk waar. Woord na woord, draft na draft, net zolang tot je jezelf en je personages wel kan schieten. Maar als die flow er eenmaal is, is er niets wat in de buurt komt van die heerlijkheid van woorden die uit je vingertoppen vloeit. Elke schrijver zal beamen dat dat gevoel verslavend is en het is een van de redenen dat je er steeds weer voor gaat zitten.

Alles wat ik maak komt voort uit mijn hart, maar schrijven gaat nog dieper. Schrijven komt uit mijn ziel en om je zielenwoorden te vinden moet je diep graven. Soms enorm diep, dieper dan je lief is, dieper dan comfortabel is. Maar schrijven hoeft niet comfortabel te zijn. Schrijven gaat om je grenzen verleggen, met elk verhaal opnieuw, groeien, kleine stukjes van jezelf bijeen sprokkelen via de stem van je personages. En als de woorden niet goed zijn, dan schrijf je nieuwe, net zo lang tot het wel goed is. Om het ook daadwerkelijk te doen zet je een stok achter de deur. Deze maand is die stok voor mij nano.

Ga ik het halen? Geen idee. Eén schrijfloze dag gooide onlangs al roet in het eten. Ik ben inmiddels weer op schema na een heel weekend onafgebroken schrijven en heel veel schermstaren.

Misschien helpt het dat ik een extra stok achter de deur heb: als ik de 50.000 woorden haal, mag ik van mezelf een nieuw paar schoenen kopen. Dat moet toch zeker helpen om vlijtig door te pennen?*

Ik wens iedereen die met nano meedoet enorm veel succes. Soms tegen je computer gillen mag best, je haren uit je kop rukken of jezelf belonen met een zak chips of stuk taart omdat je helemaal niets geschreven hebt, mag ook. Maar wat je ook doet, blijft met die butt in die chair zitten tot je de 50.000 woorden (of wat je doel ook moge zijn) hebt geschreven. Je kan het!

De belangrijkste vraag is aan het eind van dit blog natuurlijk nog niet beantwoord: tellen de woorden uit dit stukje nu wel of niet mee voor nano?

*En wie hou ik voor de gek? Dat nieuwe paar schoenen komt er toch wel.

Geplaatst op

Met de billen bloot en pitchen maar!

onderbroek

‘Zou ik het durven?’ vroeg ik enige tijd geleden op Facebook, begeleid door een link naar het evenement van the American Bookcenter Amsterdam om bij Oscar van Gelderen van uitgeverij Lebowski te pitchen.

‘Jij durft dat,’ luidde een van de antwoorden uit mijn vriendenkring.Dus ik besloot te durven. Ik heb het afgelopen jaar immers nog veel engere dingen gedaan.

Vandaag was het zover, getooid in een schone onderbroek, zoals een van ’s Neerlands grote schrijvers aanraadde bij iedere afspraak met een uitgever aan te trekken, en gelukkig nog wat extra kleding erover, begaf ik mij naar de ABC. Hm, ik bleek de meest underdressde persoon tussen het nerveuze schrijfvolk: geen mantelpakje, geen versleten corduroy blazer met elleboogstukken, maar gewoon in mijn spijkerbroek en gympen. Wel een kek giletje aangetrokken. Casual chic rules.

Voor de verandering was ik ruim op tijd, dus toch nog even naar buiten om mijn pitch te oefenen. Een toerist die aan het andere eind van het bankje ging zitten, nam mijn gebrabbel aan voor een zwoele boodschap, maar helaas voor hem, het was slechts mijn pitch die ik voor de honderdste keer tegen mezelf zat te herhalen.

Nipt op tijd weer binnen maak je natuurlijk een verpletterende indruk door over de voor jou bedoelde stoel te struikelen bij het kennismaken. Verblind door het schijnend licht van de uitgever, zal ik maar zeggen.

Ik had me voorgenomen om gewoon te laten gebeuren wat er zou gebeuren (inclusief mijn nek breken over een stoel) en het werd eigenlijk best een prettig gesprek. Eigenwijs als ik ben, besloot ik al snel om toch mijn boek te laten zien, hoewel iemand uit de uitgeefwereld me dat had afgeraden. Je wil immers niet dat je de uitgever het idee geeft dat zijn werk al is gedaan. Maar de reactie was positief.

Wat is er gekomen van die bloedig geschreven en ingestudeerde pitch? Daarvan heb ik alleen de eerste zin gebruikt, want die draagt de kern van het hele boek in zich mee:

Hoe blijf je trouw aan alles waarin je gelooft als je het monster wordt waartegen je vecht?

En dat exemplaar van Bloedwetten dat ik tevoorschijn toverde? Dat wilde mijnheer de uitgever graag hebben, als dat kon.

Zeg daar maar eens nee tegen.

De Lebowski-pitch is een maandelijks terugkerend event bij the American Bookcenter. Je eerstvolgende kans is op 25 oktober. Ga jij ook durven? Laat het me weten. Ik hou jullie op de hoogte hoe het voor mij afloopt.

Link naar Lebowski Pitch bij ABC.

Geplaatst op

Kleine vis in een (te) grote vijver

small fishVandaag was tout beau monde van schrijversland verzameld op het Rokin voor de heropening van het verhuisde Scheltema. Wat doe je dan als aspirant auteur? Juist, je springt op de fiets, gewapend met een stapeltje flyers…

Tja, en daar sta je dan je tot je grote schaamte te beseffen dat je voornamelijk teeveekoks herkent. Zonde dat mensen geen bordje om hun nek hebben hangen met wie ze zijn en wat ze doen. Mijn lengte helpt ook niet bij het tot stand brengen van een goed gesprek. Lachend erbij gaan staan als een boerin met kiespijn, terwijl mensen in gesprek zijn? Nee, dat gaat ’m echt niet worden.

Met de openingszin ‘Ik zou gek zijn als ik het niet doe’ Miss Koffietijd, Joop van den Ende en Gaston ‘Postcodeloterij is his middle name’ Starreveld flyers in de hand gedrukt. Vervolgens al mijn moed bijeen geraapt en als een ‘deer in headlight’ gepitcht bij de uitgever van Luitingh-Sijthoff, die in al zijn vriendelijkheid mijn veel te lange gekakel aanhoorde. De lift ging een paar keer tussen begane grond en penthouse op en neer, dus van een effectieve elevator pitch mocht geen sprake zijn.

Ja, ik zal de laatste zijn die het ontkent: ik doe maar alsof ik weet waar ik mee bezig ben. Maar dat e-mailadres van die uitgever, dat heb ik in ieder geval op zak.

Zal het ooit iets worden met mij en netwerken? Ik weet het niet. Vooralsnog ben ik te verstijfd van angst om er de lol te van in te zien, maar als deze kleine vis een grote(-re) vis wil worden, zal ik het moeten blijven proberen.

Ik hoop dat, mocht het me ooit lukken en ik niet opnieuw op het zijspoor van frustratie beland (nee, dat zeker niet!), ik me herinner hoe verschrikkelijk het is om je als kleintje tussen de groten te wagen. Ik zal proberen om een plekje in mijn kruiwagen vrij te houden voor de grootogige guppy’s die net doen alsof ze precies weten waar ze mee bezig zijn.

(Bron foto: pixabay, PDpics.)