Geplaatst op

Het laatste woord

Afsluiting blogtour 1000 nachten

Onrustig fladdert ze voorbij. Ik heb haar in al die manen nog nooit zo nerveus gezien, alsof ze een tiener is die voor het eerst op date gaat. Sergis is al bijna klaar met haar spullen inladen (wat een klus) en zij rent rond als een kip zonder kop, terwijl we de blogtour nog moeten afronden.

‘Ben je nou nog niet klaar?’ vraag ik, wanneer ze voor de zoveelste keer voorbij komt gestoven. Ik snap niet waar ze zich zo druk om maakt.

‘Ja, ja. Bijna. Ik moet er toch goed uitzien?’

Voor een afsluitend stukje voor de blogtour?

‘Ser!’ roept ze naar beneden, over het trapgat leunend. ‘Die rode koffer, is die al ingeladen?’ Er klinkt wat gemompel van beneden. Ik heb niet het gehoor van een Ath’vacii dus kan het niet verstaan. ‘Ik heb helemaal geen tien rode koffers! In welke? Hoe moet ik dat nou weten? Die jurk vind ik nooit op tijd terug.’ Verslagen sloft ze de woonkamer in.

‘Schat, jij ziet er zelfs goed uit in een vuilniszak als je pas wakker bent,’ ze ik, in een poging haar te troosten.

‘Dat spreekt voor zich, maar vuilniszakken zijn zó 2018.’ Ze ploft naast me op de bank. Plukt nog wat aan haar wenkbrauwen en zet haar wimpers nogmaals in de krul. ‘Hoe lang hebben we nog voordat ze komen?’

‘Voordat wie komen?’

‘De journalist én de fotograaf, natuurlijk.’

‘Uhm … ik denk dat je het verkeerd hebt begrepen.’

‘Hoezo,  gaat het interview niet door? Ze hebben toch niet afgebeld?’

‘Het interview gaat gewoon door. Alleen vrees ik …’

Ze kijkt me met grote ogen aan alsof ik op het punt sta om iets verschrikkelijks te verkondigen.

‘Je zal het met mij moeten doen. Ik neem het interview af en ik heb wat vragen van volgers op Facebook. Had je dat niet begrepen?’

Haar mond vormt een perfect cirkeltje: een zorgvuldig rood gestift cirkeltje dat menig man (en vrouw) tot waanzin drijft. ‘O,’ zegt ze, haar teleurstelling zo veel mogelijk verschuilend. Ze kijkt op haar horloge. ‘Snel dan maar. Ik heb nog meer te doen vandaag.’ Nuffig nestelt ze zich in de kussens op de bank, de plek waar ze het afgelopen jaar meer tijd doorbracht dan haar lief was. Als ik had geweten dat het zó lang zou duren om een boek te schrijven … Ze verzuchtte het meer dan eens en soms zuchtte ik met haar mee.

Madame kwam mijn leven binnen gezwierd met een shitload aan koffers in haar kielzog. Haar onstilbare honger naar Ben & Jerry’s heeft me de afgelopen maanden bijna tot wanhoop gedreven, maar toch ben ik enorm van haar gaan houden; meer dan ik op voorhand had gedacht.

Ik sta op en haal een beker ijs voor haar uit het vriesvak. Na een paar happen is ze haar woede binnen de kortste keren vergeten.

‘Je hebt me verrast,’ zeg ik.

‘Hoezo?’ vraagt ze.

‘Nou ja,  je weet wel …’

Ze stouwt een eetlepel ijs naar binnen en schudt daarna haar hoofd.

‘Er zit een beetje in je mondhoek,’ zeg ik. ‘Nee, je andere mondhoek.’ Hoeveel soortgelijke interacties we de afgelopen maanden hebben gehad, weet ik niet. Ik ben op een gegeven moment opgehouden met tellen. Het afgelopen jaar heb ik ook geleerd dat recht voor zijn raap het best werkt bij haar, dus vooruit met de geit: ‘Ik had verwacht dat je een domme snol zou zijn, maar niets is minder waar.’

Ik geef toe dat ik overmoedig ben geworden, maar haar reactie valt me mee. Ze barst in schaterlachen uit. ‘Ik geen snol? Valt dat je tegen?’

‘Het is me meegevallen, maar ik vrees wel dat mensen een andere indruk van je hebben gekregen door de kant van jezelf die je op social media hebt laten zien. De vrouw die naast me op de bank zit, lijkt in veel opzichten een andere vrouw dan die jij mij beschreef in 1000 nachten.’

‘Tijd verandert een mens. Geliefden verliezen, achterblijven, overblijven. Resteren.’

Ik word een beetje verdrietig van haar woorden. ‘Zie jij je leven zo? Als een restant?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb alles gevoeld wat er te voelen valt, alles ervaren wat het bestaan te bieden heeft. De hoogte- en de dieptepunten. Waarom denk je dat ik me suf vreet aan ijs en me suf laat naaien. Alles om iets te voelen.’

Nu is het aan mij om een verbijsterd ‘o’ ten gehore te brengen.

‘Je hoeft geen medelijden met me te hebben, hoor. Ik geniet van het leven. Dat is het me verschuldigd en ik neem wat me toekomt. Maakt me dat een snol?’ Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien. Om eerlijk te zijn zal het me worst wezen wat mensen van mij denken. In al die jaren is er weinig veranderd. Mensen oordelen snel, doorgronden alles behalve hun eigen kortzichtigheid. Een slimme vrouw is in de ogen van velen een gevaar. De Marylins, de Jeannes, de Mata Hari’s … Goed aan ons eind komen doen we niet. Ik doe me niet dommer voor dan ik ben, maar ik zwijg op de juiste momenten en ik laat me wel eens gaan. Gewoon omdat het kan. Niets erger dan een benepen leven leven. Hoef je niet zo beteuterd te kijken, o wijze interviewster. Stel me liever nog een vraag. Laatste kans die je voorlopig krijgt.’

‘Nu ja, de vraag die hier voor me ligt durf ik na deze woorden van jou nauwelijks te stellen. Evi Verhasselt wil graag weten waar je heen gaat, zo direct met Sergis? En wat verwacht je nog van de toekomst?’

‘Ik ga waar mijn jurken mij heen voeren. Hahaha. Parijs, Milaan, New York … of misschien toch Dubai? Lang geleden dat ik een sjeik gelukkig heb gemaakt.’ Ze knipoogt naar me. ‘En mijn verwachtingen voor de toekomst? Ach, we zien wel wat die brengt. Ik heb geen haast om hem te ontdekken.’

‘Ik heb hier ook nog een een vraag voor je van Stefan Tetelepta, feelgoodschrijver.’

‘Feelgood.’ Ze trekt haar neus op.

‘Doe maar niet of je daar vies van bent. Ik heb die boekjes heus wel zien liggen in die ene rode koffer van je. Sergis sjouwde zich er zonet een breuk mee.’

‘Ach ja, de liefde. Alles voor liefde. Wat had hij te vragen?’

‘Stefan wil weten waarom je mij hebt uitgekozen om jouw verhaal op te tekenen? En hoe vaak je het niet eens bent met hoe ik dingen beschrijf en of je dan ingrijpt?’

‘Dat is niet één vraag, dat zijn er drie.’

‘Heel fijn, je kan tellen. Alweer een mysterie omtrent de grote madame LaSoeur opgelost. Bravo.’

‘Zien jullie wat een kreng die Drenth is? Daarom heb ik haar uitgekozen. Zo’n grote mond, dat mag ik wel.’ Ze kijkt me bestuderend aan. ‘Een grote mond en een klein hartje in een ietepietepeuterig lichaampje.’

‘Ja, zo kan ‘ie wel weer.’

Ze legt haar hagelwitte tanden bloot in een bijna demonische lach. ‘Drenth doet wel zo koppig, maar ze benadert elk onderwerp met respect. Of moet ik zeggen: vooral de delicate onderwerpen, die benadert zij met respect. Je levensverhaal aan haar vertellen is alsof je tegen een zus praat en dan heb ik het niet over de feeksen van Rah, mijn zogenaamde zussen van het bloed. Haar fijnzinnige woordkeuze maakt dat ik haar zelden heb hoeven corrigeren. Muggenzifter eerste klas. Zo ken ik er maar weinig. Een uitstervend ras in deze wereld waar alles steeds sneller moet en het kwalitatief steeds minder wordt. Ze zou veel meer boeken kunnen produceren, maar ze kiest voor kwaliteit. Ook al heeft haar redactrice allang haar goedkeuring gegeven, tóch blijft ze slijpen wanneer ze ziet dat het nóg beter kan. Dat maakt haar verschrikkelijk irritant om mee samen te wonen. Blij dat ik eindelijk mijn jurken kan pakken.’

Ik mompel verongelijkt, blij dat ik haar kan afleiden met nog een vraag: ‘Susanna de Lange wil weten wanneer ik het vervolg mag gaan schrijven.’

We kijken elkaar aan en zuchten tegelijkertijd. ‘Ik vind je een schat, eerlijk waar,’ zegt ze, ‘maar als ik nog langer met jou zit opgescheept word ik gillend gek.’

‘Ik deel dat sentiment volledig,’ zeg ik. ‘Volgende vraag dan maar?’

‘Misschien krijgt Susanna zodirect toch antwoord op haar vraag …’

‘Wat bedoel je daarmee?

‘O, niets.’ Ze bekijkt zichzelf in haar het spiegeltje van haar poederdoos. ‘Komt er echt geen fotograaf?’

Ik schud mijn hoofd.

Ze pruilt. Vervolgens pakt ze haar telefoon en maakt ze een reeks selfies. Volgens mij heeft zij het woord duckface in het leven geroepen.

Ik schraap mijn keel: ‘Volgende vraag dan maar? Joyce Analbers vroeg zich het volgende af: Wat had je gedaan als je misvormd uit de transitie was gekomen? Je bent namelijk nogal ijdel. Dat laatste over ijdel zijn zegt Joyce, hè? Niet ik,’ haast ik me eraan toe te voegen.

‘Want jij spreekt enkel lovend over mij.’ Ze poedert het puntje van haar neus.

‘Het is eigenlijk een vraag …’ zeg ik.

‘Waar ik geen antwoord op mag geven,’ vult ze aan.

‘Mag, kan, zal …’

‘Spoiler alert!’ roept ze, haar handen in zogenaamde paniek opheffend, terwijl ze een gekke bek trekt. ‘Tja, da’s nou jammer. Over die zogenaamde ijdelheid van mij wil ik wel wat kwijt. Ja, ik hou van mijn uiterlijk en ik verzorg mezelf goed. Dat ben ik hem verschuldigd. Mijn lichaam is het grootste geschenk dat ik heb gekregen. Mijn ijdelheid is een teken van liefde.’ Ze bestudeert haar handen, verlegen als een schoolmeisje. ‘Was dat alles? Geen vragen meer? Geen drommen nieuwsgierigen die over elkaar heen buitelen om een glimp van mij op te vangen?’

‘Nou ja, eigenlijk wilde ik deze afsluiting van de blogtour vooral doen om jou het laatste woord te geven, dus ik heb niet zoveel vragen voorbereid en jouw volgers op social media zijn kennelijk te veel onder de indruk om jou lastig te durven vallen.’

‘Mij het laatste woord geven? Slimme meid.’

‘Dat durf ik te betwijfelen.’

‘Wat ik zeg: slimme meid. Ik zal je de afsluiting geven waarnaar je verlangt, maar je zal er niet noodzakelijkerwijs blij mee zijn. Een bekentenis is op zijn plaats.’

De paniek slaat me om het hart. ‘Bekentenis? Hoezo?’

‘Je weet toch wel dat ik tegen je heb gelogen?’ zegt ze. Ze bijt op haar onderlip en kijkt onschuldig tussen haar wimpers door. We hadden laatst écht niet naar 50 shades moeten kijken. ‘Nou ja, liegen is misschien een te groot woord. Ik heb niet álles verteld. Ik ben veel verder gegaan om te beschermen wat mij lief was dan ik je heb toevertrouwd. Ik wilde niet dat het zo’n verhaal zou worden. Dat begrijp je toch wel?’

‘Ja,’ verzucht ik. ‘Dat begrijp ik.’

Ze leunt naar me toe. ‘Om het goed te maken heb ik een cadeau voor je.’

Visioenen van jurken met roesjes en hooggehakte schoenen waarin ik nog geen normale stap kan zetten doemen voor me op. Het klamme zweet breekt me uit. ‘Alsjeblieft niet …’ sputter ik. ‘Ik heb alles wat ik nodig heb. Ik hoef niets … Écht niet.’

‘O ja, dit heb je wel degelijk nodig. Wanneer de tijd rijp is.’ Ze drukt me een sleutel in handen, het soort sleutel dat op een hutkoffer past. ‘Mijn laatste woord. Je mag ze pas lezen wanneer je Bloedwetten 3 af hebt, want dat stel je nu al veel te lang uit. Beloofd?’

Ik knik fronsend, ook al weet ik niet precies wat ik beloof.

‘Doe je de groeten aan Storm van me? Wat denk je, zal hij net zo’n aangename huisgast zijn als ik?’

Ik stel me Storm voor, lezend in de schaduw van de boekenkast, tevreden met een kop thee en een snuif bloedpulver. Ik glimlach. ‘Lang niet zo spraakzaam, vermoed ik.’

‘Tut, tut, en dat voor een raadsheer,’ lispelt ze. ‘Ik heb nog wat te goed van hem. Herinner hem daaraan.’ Ze knipoogt. ‘Ik zie je snel.’ Met het ruisen van zijden rokken verdwijnt ze de trap af, haar koffers achterna.

Ik blijf even perplex zitten, nadat de deur achter haar is dichtgeslagen. Dan neem ik de wenteltrap naar boven. De kamer waar zij haar jurken en schoenen had opgeslagen is verlaten op een hutkoffer na. Lege kasten, het kledingrek staat er vermoeid bij, op het punt van instorten. Een paar klerenhangers liggen achteloos op de grond neergesmeten. Een paar veertjes van haar maraboepeignoir en een opgeschrikte mot dwarrelen door de lucht.

Ik steek de sleutel in het slot van de oude hutkoffer en draai hem om. De deksel opent zich onwillig. De scharnieren hebben olie nodig. De hutkoffer zit tot de nok toe vol met notitieboeken, variërend van extreem oud met broze bladzijden en een leren omslag tot kortgeleden aangeschafte exemplaren met verrassend opgewekte kleuren op de omslagen. Er zit er zelfs eentje bij met een guitige eenhoorn op het omslag.

Een verbijsterde zucht ontsnapt me. De geheime dagboeken van madame.

Boven op de stapel dagboeken ligt een briefje met daarop één woord: Foei!

Ze kent me te goed. Ik pak het bovenste exemplaar en blader het vluchtig door. Voordat ik me niet kan bedwingen leg ik het terug en draai ik de hutkoffer weer op slot. Ik bedwing de neiging om de sleutel uit het raam te gooien.

Niet lezen tot ik klaar ben met Bloedwetten 3. Pfff, wat doet ze me aan?

En mocht je je nu echt niet langer kunnen beheersen, dan kan je 1000 nachten via deze link aanschaffen.

Geplaatst op

Blogtour 1000 nachten

De blogtour van 1000 nachten is op 15 april van start gegaan. Alle bijdragen worden hieronder toegevoegd.

25 april: Madame/afsluiting blogtour: https://www.bloedwetten.com/nieuws/het-laatste-woord

24 april: De Perfecte Buren: ‘Wat kan Sophia Drenth toch goed schrijven en wat heeft ze een bijzondere wereld geschapen waarin de serie Bloedwetten zich afspeelt!’ https://perfecteburenleesclub.blogspot.com/2019/04/blogtour-1000-nachten-sophia-drenth

23 april: Connies Boekkies: ‘Een verhaal wat je bij de strot grijpt vanaf het begin en je niet meer los wilt laten.’ https://conniesboekkies.wordpress.com/2019/04/23/1000-nachten-sophia-drenth/

22 april: The Bookbabe: ‘Als een kunstenaar kan Sophia Drenth de meest vreselijk scenes beschrijven, zonder je als lezer te laten walgen. Sterker nog, je bent geboeid, en verlangt naar iedere letter.’ https://www.facebook.com/thebookbabecisz/photos/a.325452641169770/795996634115366/?type=3&theater

21 april: Samenlezenisleuker: ‘ Katine, Madame, Ka’ahtin, wat ben je groots en uniek … Nog nooit las ik een verhaal gevuld met een liefde als dit. Het is verschrikkelijk en prachtig tegelijk. https://samenlezenisleuker.wordpress.com/2019/04/21/karin-las-1000-nachten-sophia-drenth-1-2/

20 april: Boekenvirus: ‘ Een liefdesverhaal zoals je er nog nooit een gelezen hebt.’ https://boekenvirus.wordpress.com/2019/04/20/2893/

19 april: Thrillers & More: ‘… Onder de indruk van de wijze waarop Sophia dit verhaal op een zeer realistische, beeldende manier heeft neergezet.’ https://www.thrillersandmore.com/2019/04/19/1000-nachten-sophia-drenth/

18 april: Een bijdrage van Readinglife 567: ‘Ik had echt een WOW gevoel.’ https://readinglife567.wordpress.com/2019/04/18/blogtour-bloedwetten-1000-nachten/

17 april: Vandaag in de 1000 nachten-blogtour: een recensie op Drukinkt. ‘Zelden heb ik zo’n sterk karakter gezien als Katine Lasoeur. Ze heeft goede kanten, maar ook slechte kanten die ze schaamteloos omarmt als haar dit zo uitkomt.’
https://drukinkt.net/…/recensie-1000-nachten-sophia-drenth.…

16 april: Met vandaag een bijdrage van Nakita’s Library, Een interview waarin ik over het wel (en vooral) wee van schrijven vertel. Het was erg gezellig om samen met Nakita thee te drinken.
https://nakitaslibrary.nl/…/16/aan-de-thee-met-sophia-drenth

15 april: Emopheliac geeft de aftrap met een zeer positieve recensie: ‘Dit maakt dat, zelfs wanneer je Madame in de eerdere boeken maar een arrogante dame vond, je eigenlijk niets anders kunt doen dan haar in je hart sluiten, Sophia Drenth zet haar in ‘1000 Nachten’ neer als een combinatie van onmetelijke persoonlijke kracht, hartverscheurende kwetsbaarheid en bewonderingswaardige vrouwelijkheid.’
http://emopheliac.nl/recensie-1000-nachten-een-bloedwetten-…

De blogtour van 1000 nachten is op 15 april van start gegaan. Alle bijdragen worden hieronder toegevoegd.
Geplaatst op

In gesprek met Jean Darvas Collignon

Zwart hart - www.bloedwetten.com

Ter ere van het verschijnen van de eerste Bloedwetten bronvertelling ‘Zwart hart’ in de reeks Splinters van Uitgeverij Quasis, had protagonist Jean Darvas Collignon mij toegezegd dat hij beschikbaar was voor een interview. Dit gesprek vond onlangs bij mij thuis plaats, onder Collignons eigen voorwaarden wel te verstaan.

‘Ze staan werkelijk te dringen met hun vragen, niet?’ merkt hij op terwijl hij aan zijn sigaartje lurkt.

Zoals van Jean Darvas Collignon verwacht mag worden, is hij er opeens. Hij staat middenin mijn werkkamer, gekleed in een lichtgrijs, op maat gemaakt kostuum. Zijn hoge hoed is van dezelfde kleur. Op het puntje van zijn neus prijkt een bril met ronde glazen van blauw glas. Zoals altijd is hij om door een ringetje te halen. Geen wonder dat hij te laat is.

‘Ik had je gevraagd om niet te roken,’ zeg ik lichtelijk geïrriteerd.

‘Weet ik.’

‘Waarom doe je het dan toch?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Zo ben ik nu eenmaal. U heeft me zo gemaakt. Klagen heeft weinig zin. Tutoyeren evenmin.’

Ik rol met mijn ogen, heb nu al spijt van dit voorgenomen interview.

‘Opvallend dat iemand met beperkte longfunctie een van haar voornaamste personages kettingroker maakt,’ merkt hij op.

‘Daar had ik niets over te vertellen. Ik schrijf op wat ik doorkrijg.’

‘Ben ik  u ingeademd door een hogere macht? Meer dan een veredelde tikgeit bent u dus eigenlijk niet.’

Ik besluit van een theologische discussie af te zien. Hoewel onze mening over het goddelijke – of het gebrek daaraan – overeenkomt, zou hij het klaarspelen om toch te winnen én de discussie uren te laten voortduren. ‘Hoogst impertinent trouwens dat je jezelf tot een van mijn voornaamste personages betitelt,’ kaats ik terug.

‘Dat ben ik toch ook? Bloedwetten is niets zonder mij.’

Ik moet om de pretlichtjes in zijn ogen lachen. Hij is een expert in mensen op de kast jagen. Ook al neem je je voor er niet in te trappen, toch krijgt hij je precies waar hij je hebben wil. ‘Misschien,’ geef ik halfhartig toe. ‘Zullen we maar eens beginnen?’ vraag ik hem, terwijl ik mijn blik over mijn aantekeningen laat dwalen.

‘Waren we dan niet al begonnen?’

Ik negeer de opmerking en stel mijn eerste vraag: ‘Tevreden over het omslag van Zwart hart?’

‘Mwoch, het ziet ernaar uit dat ik het ermee moet doen. Als ik in de spiegel kijk, zie ik natuurlijk een veel betere versie staan. Toen ik net van het bloed was, had ik wat meer vlees op mijn botten, dat is waar. Nooit ben ik een knekelfestijn geweest, zoals die Rode die uw hart stal.’

‘Ben je daar nog steeds jaloers over? Dat Storm in mijn dromen opdook en niet jij?’

‘Ach, wat heet jaloers. Dergelijke emoties heb ik reeds lang achter me gelaten.’

‘Maar toch begin je er steeds weer over.’

‘Ik weet dat u op een bepaalde manier ook op mij bent gesteld. Daar zal ik het mee moeten doen.’

‘Wat weinigen begrijpen is dat je als schrijver je personages bent. Ik droomde dat ik Storm was, hoe ik gemaakt werd en daaruit is Bloedwetten ontstaan. In zekere zin ben ik hem nog steeds.’

‘Is dat wel een gezonde relatie?’

Ik snuif. ‘Ja, ik vreesde al dat dit gesprek zo zou verlopen. Wie interviewt wie?’

‘Ik hoor niets dan tegenstrijdigheden in uw verhaal. Dan is het niet verwonderlijk dat ik vragen stel. Als schrijver bent u de personen waarover u schrijft, maar tegelijkertijd heeft u niets te zeggen over hun doen en laten.’

‘Dat klopt.’

Nu mompelt hij wat. Hij steekt een nieuw sigaartje aan met het kontje van de oude. Onder mijn dwingende blik opent hij het raam, schuift de hebbedingetjes en halfdode planten opzij die op de vensterbank staan en parkeert de ene helft van zijn achterwerk erop. Hij kijkt naar buiten, naar de mensen die door de drukke winkelstraat lopen, de voorbijsnellende fietsers en het gejaagde getingel van de tram die weer eens vast staat door een dubbel geparkeerde vrachtwagen. ‘Ik begrijp niet hoe u hier kunt creëren.’

‘Je moet het doen met wat je hebt.’

‘U verdient beter. Wanneer u over schrijven praat, zie ik – los van de tegenstrijdigheden – de passie in uw ogen. Dat is mooi. Met passie doorwrocht bloed smaakt beter.’

‘Nu zit je me te vleien.’

‘Klopt, bloed is bloed. Het smaakt allemaal hetzelfde.’ Hij neemt me in zich op. ‘Ik had gedacht dat u groter zou zijn.’

‘Die hoor ik wel vaker.’

‘Treurige aangelegenheid eigenlijk, dat schrijven, als ik het zo bekijk. Waarom steekt u er zoveel uren in, terwijl u er relatief zo weinig voor terugkrijgt? Ik bedoel, een boterham ermee beleggen gaat niet lukken. Nog even en u moet naar de bloedbank om bloed af te staan in de hoop dat u daarvoor een duit in ontvangst mag nemen.’

Zwart hart - Bloedwetten‘Noem het een roeping. Zullen we verder gaan met de vragen? Dit interview gaat immers om jou, niet om mij.’

Een afkeurend geluid verlaat zijn strot. ‘Vragen, alsof u er zo veel heeft binnengekregen. Ik zei toch dat het zinloos was om via die sociale media op te roepen om vragen te stellen? Men is te zeer van mij onder de indruk om vragen te durven stellen.’

‘Ik heb er wel degelijk een paar vragen binnengekregen van dappere zielen. John van Duin vroeg zich bijvoorbeeld af of je letterlijk een zwart hart hebt.’

‘Sommige dingen moet men letterlijk nemen, andere niet.’

‘Vanzelfsprekend kom je met een ontwijkend antwoord.  Een langer antwoord dan ik had verwacht, dat dan weer wel.’

‘Weet ik gelukkig toch te verbazen. Tegen mensen die naar de zwartheid van mijn hart gissen, zeg ik: lees Zwart hart. Het is natuurlijk één grote leugen, een fantabulatie van de hoogste orde, maar het voldoet.’

‘Dat zal ik dan maar als een compliment beschouwen.’

‘Vanzelfsprekend. Van niemand anders zou ik het pikken dat ze proberen om mijn verleden in woorden te vatten.’

‘Ik heb slechts opgeschreven wat jij mij doorgaf, dus als er iemand liegt, ben je het zelf.’

‘Precies zoals men van mij verwacht. Ik ben een open boek.’

‘Is dat jouw manier van om iemand geven, gedrag van hem of haar ‘pikken’?’

‘Wanneer het moet. Ik geef om personen die de moeite nemen om te luisteren. Mensen die hun kop boven het maaiveld van het alledaagse durven uitsteken. Bovendien ben ik benieuwd naar de bronvertelling van madame LaSoeur.’

‘Tot ik die heb opgeschreven ben ik wat jou betreft mijn leven zeker?’

‘Tot dan en lang daarna. De onwaarheden die de kleine moordenaar, Ravàn, u heeft ingefluisterd kunnen mij ongetwijfeld ook vermaken voor een uurtje of twee.  Want het klopt toch, hij heeft reeds met u gesproken?’

‘Yup, ik heb bijna zijn hele wording in mijn hoofd. Die van Kushir ook en madame LaSoeur heeft haar verhaal inderdaad ook grotendeels gedaan.’

‘Alleen nog opschrijven.’

‘Precies, alleen nog opschrijven. Maar aangezien ik de eerste versie van Zwart hart herfst 2014 opschreef, zou ik aanraden om niet je adem in te houden. Schrijven is voor mij een langdurig proces.’

‘Vreemde tijd was dat, toen we elkaar troffen om de eerste versie van Zwart hart uit te werken. Ik herinner het me nog goed.’

‘Inderdaad,’ beaam ik, door herinneringen in beslag genomen. Schrijven in mijn oude kamer in het ouderlijk huis. Het ouderlijk huis dat er nu niet meer is.

Hij wordt ook afgeleid. Niet door het verleden, maar door het heden. Zijn blik kleeft vast aan een dame die de straat oversteekt met haar hondje aan de lijn. Beiden trippelen met hun snoetjes hoog in de lucht vlak voor een fietser langs. Ik ben hem aan het kwijtraken. De bloedhonger trekt aan hem. ‘Ik heb nog een vraag voor je. Ik weet alleen niet zo goed hoe ik hem moet stellen.’

Hij kijkt de vrouw na tot ze om de hoek verdwijnt. Net wanneer ik denk dat hij me helemaal niet gehoord heeft, reageert hij: ‘Ik ken u niet als verlegen.’

‘Niet als ik schrijf, maar nu je tegenover me staat met die blinkende slagtanden is het een ander verhaal.’

Hij grijnst. Toont me zijn moordwapens in volle glorie. ‘Kom maar op met die vraag.’

‘Deze is van Jasper Polane: Zijn Gemaakten van nature slecht? Of worden ze dat na een tijdje vanzelf?’

Hij zwijgt lange tijd en tuurt naar zijn weerspiegeling in het vensterglas. Vervolgens lacht hij. ‘Er zitten altijd filosofen tussen, nietwaar? Van die komedianten die de leegte van hun woorden wegmoffelen achter zogenaamd intelligent geformuleerde vragen?’

Ik kijk hem aan. ‘Ga je antwoord geven of niet?’

‘Denkt u daadwerkelijk dat ik dit een moeilijke vraag vind om te beantwoorden? Dat ik schrik van een dergelijk statement? En denkt u niet dat ik voor erger ben uitgemaakt? Dat ik mezelf niet voor erger heb uitgemaakt en mezelf voor erger heb aangezien dan simpelweg “slecht”. Dat woord dekt de lading niet. Slecht. Dat is net zoiets als aardig. Zo’n halfslachtige karaktertrek waar je eigenlijk niet veel van hoeft te verwachten. Er schuilt geen kracht achter… Bovendien, wat is slecht? Wat voor mij goed is, is voor u slecht en vice versa. Natuur komt vanuit de persoon, niet vanuit het feit of iemand Ath’vacii is. Bovendien wordt wat goed of slecht is opgelegd door maatschappelijke en culturele normen. Maar met een mogelijke eeuwigheid aan je voeten en het ontbreken van angst om te sterven door ziekte of ongeluk, openbaren bepaalde verleidingen zich vroeg of laat. Grenzen vervagen. Maakt dat een Ath’vacii per definitie slecht? Geef en mens alle tijd van de wereld en hij verrot te zijner tijd vanzelf.’ Hij maakt zich van de vensterbank los. ‘Was dat het?’ vraagt hij, toch wat kortaf.

‘Ja, dat was het schokkende aantal vragen dat is binnen gekomen.’ Ik knipoog naar hem.

‘Maar zijn daarmee de vragen op?’

‘Wat mij betreft nog lang niet.’

Hij neemt zijn hoed af, neemt mijn hand in die van hem en buig zich er overheen. De kou van zijn vlees wasemt dwars door zijn witte handschoen . ‘U mag mij altijd vragen stellen. Misschien wordt de tweede bronvertelling die u exclusief aan mij zal wijden daarmee accurater dan Zwart hart.’

‘Wie zegt dat ik nog een verhaal exclusief aan jou wil wijden?’

‘Omdat er ook een stukje van mijn zwarte hart in u zit, zoals in iedereen. Hopelijk stelt dat antwoord mijnheer Polane tevreden.’ Hij zet zijn hoed weer op, kijkt nog even naar alle schilderijtjes en prenten die ik aan de muur heb hangen, een paar daarvan per toeval gevonden portretjes van hoe ik Maïa en Katine voor me zie. De steevaste rommel op mijn bureau kan hem niet bekoren. Zolang ik maar bij toetsenbord en muis kan vind ik het best. ‘Precies Roan,’ concludeert hij hoofdschuddend. Een zucht later is hij verdwenen.

Ik frons mijn wenkbrauwen. Hij is  dan wel weg, maar hij is nooit helemaal verdwenen, die duivelse Collignon met zijn zwarte hart. Heeft hij dan toch een beetje op me afgegeven?

***‘Zwart hart’ kan je via deze link (gesigneerd) kopen.***