Gepost op

De zwerftocht van een verhaal

Deze antieke foto van een moeder met haar overleden kind inspireerde mij in 2015 tot het schrijven van een verhaal. De afwezige blik in haar ogen, het ongeloof over het overlijden van haar kind, hoe ze zich ergens geen houding kan geven – haar rechterhand geforceerd tegen haar gezicht gedrukt alsof ze haar eigen kind liever niet meer aanraakt – dit alles bij elkaar veroorzaakte een kettingreactie in mijn gedachten. Het gevoel dat overheerste was dat deze vrouw zo verschrikkelijk hard ergens anders wilde zijn. Overal is beter dan poseren voor een fotograaf met haar dode kind op schoot.

Zo werd het verhaal geboren over de liefde tussen een gewone man en een tijdzwemster. Doordat zij steeds door de tijd valt, bestaat hun liefdesleven uit fragmenten. Dat werd ook de titel van het verhaal: Fragmenten.

Ik zond het in naar de door LS en Elfia uitgeschreven wedstrijd met het thema Tijd en Ruimte. Het behaalde de tweede plaats. Het verhaal was me zo dierbaar dat ik er nog meer mee wilde. Helaas kon ik het niet inzenden naar een andere wedstrijd vanwege de jurysamenstelling (de meeste wedstrijden eisen dat een verhaal anoniem gejureerd kan worden) en ook het daarop volgende jaar dwarsboomde hetzelfde jurylid bij diezelfde wedstrijd dat ik het verhaal kon inzenden. Uiteindelijk koos ik ervoor om het verhaal mee te laten dingen als veteraan bij Fantastels. Dat bood de mogelijkheid om een verhaal – mits anoniem – in te dienen dat reeds aan een andere wedstrijd had deelgenomen. Gisteren werd bekend dat het verhaal daar de vierde plaats had behaald (onder de titel ‘Ontmoetingen’, vanwege die anonimiteit). Lang niet slecht met 93 deelnemende verhalen.

De jury was verdeeld, zoals meestal het geval is. Een paar fragmenten uit het commentaar:

‘Wat een verzengende liefde en wat een hartverscheurend verdriet. Het verhaal is zo goed als gereed voor publicatie en zou niet misstaan in een serie als Splinters van Quasis.’ (Alle verhalen werden anoniem gejureerd en dit jurylid wist niet dat er al een Splinter van mijn hand is verschenen, dus dit was een grappig detail.)

‘Een heerlijk verhaal vol weemoed, met veel gevoel voor sfeer geschreven en zeer goed opgebouwd.’

Maar er klonken ook kritische noten:

Een jurylid vond dat hij niet voldoende met de hoofdpersonen kon meeleven. Bovendien vond hij het onwaarschijnlijk dat een tijdreiziger in armoede leeft, want een tijdreiziger heeft voorkennis. (Hoe langer ik hierover nadenk, hoe beter ik door deze redenatie heen kan prikken, maar dat maakt zo’n juryrapport juist interessant.)

Weer een ander jurylid vond dat ik griezelig dichtbij ‘The timetraveler’s wife’ kwam met mijn vertelling. Die opmerking heb ik ook gehoord van proeflezers, dus het zal wel kloppen. Zelf kan ik beamen noch ontkennen, want ik heb het boek niet gelezen en de film niet gezien.

Zo gaat dat soms: een idee komt aanwaaien zonder dat je weet dat een andere schrijver al eens een soortgelijk iets heeft gebruikt. Ik laat het verhaal in zo’n geval gewoon worden wat het in mijn ogen moet zijn, want feitelijk bestaan er geen originele ideeën meer. Waarvan de een vindt dat het verhaal schatplichtig is aan het een of ander, daarvan vindt een ander juist dat het origineel is (zo ook in de jury van Fantastels, want een ander jurylid vond het juist ‘buitengewoon origineel bedacht’).

Ik moet eens kijken wat ik met het jurycommentaar ga doen en óf ik het verhaal ga aanpassen (verhaallijn, plot). Ik heb het onlangs  nog eens gelezen en wat ik zelf het liefst (gedeeltelijk) zou veranderen is het taalgebruik. Ik begin namelijk het al te barokke proza achter me te laten en begin steeds meer to the point te schrijven en heb het gevoel dat vooral de dialogen natuurlijker zouden kunnen.

Hoe dan ook: het verhaal is nu na drie jaar rondzwerven in anonimiteit eindelijk vrij van ‘wedstrijdplichten’ en ik kan niet wachten om het jullie te laten lezen.

 

Gepost op

NaNoWriMo 2015: De twijfel slaat toe

nanobanner

Dat ik aan minimaal 1667 woorden per dag schrijven een hele kluif ging hebben, stond vanaf het begin vast. Toch ging ik de uitdaging aan. Ik wilde proberen of nano dezelfde magie voor mij had als voor zoveel schrijvers.

Sinds een paar dagen is de twijfel toegeslagen. Het schrijven gaat in een moordtempo. Om aan het minimum te komen heb ik de schrijfdagen van 8 uur en langer gemaakt. Ik ben geen snelschrijver, ook geen veelschrijver. Heb me er ook al een tijdje bij neergelegd dat ik dat nooit zal worden. Ik schud niet eventjes een plot uit mijn mouw voor deze of gene wedstrijd. Zo werkt het voor mij simpelweg niet. Mijn proza moet rustig inweken. Als ik schrijf ervaar ik mijn personages, the good, the bad, the ugly. Je zou het method writing kunnen noemen.

Het grootste probleem zijn niet de uren (slechts een gewone werkdag) of het aantal woorden, maar puur het tempo. Ik haast me door de scènes heen, veel diepgang krijgen ze niet. Dat is op zich niet vreemd bij een first draft, de eerste schets van het verhaal. Dat je schrijft en vooral dóórschrijft is het belangrijkste tijdens nano. De innerlijke criticus moet worden uitgezet. Bijna zonder nadenken doorbeuken zou de enige optie zijn om dit doel te bereiken.

Wat voor mij wel een probleem is, is dat het ‘voelen’ uitblijft. Er duikt soms kortstondig iets op wat op flow lijkt, maar het brute schermstaren heeft de overhand. Het is net alsof ik niet helemaal bij ben. Ik verkeer in een roes, maar het is geen fijne roes. Haast hebben om te schrijven, normaal voelt het anders voor me, rustgevend. Dit is verre van rustgevend.

Interessante ontwikkelingen waar ik niet al te veel vragen bij het gesteld, ze hebben plaatsgevonden en ik heb ze laten gebeuren. Dit zou komen door het uitschakelen van die innerlijke criticus. Maar zouden deze openbaringen niet zijn ontstaan bij een minder hoog tempo? Ik betwijfel het. Ik geloof erin dat mijn personages mij vertellen welke weg ze moeten bewandelen als de weg die ik voor ze heb verzonnen hen niet aanstaat. Geloof maar dat ze hun mond opentrekken als ze het ergens niet mee eens zijn.

Ik voel er veel voor om de beoogde wordcount van 50.000 woorden vaarwel te zeggen en weer in mijn eigen tempo verder te gaan. Wie mij een beetje kent, weet dat dit geen makkelijke beslissing is. Als ik me eenmaal iets in mijn hoofd haal, ga ik door tot het bittere eind. Als kind ging ik steevast voor die smurfensticker, elke keer. (Wat een tegenvaller was het als ik een huppelend paard, of nog erger, een kwijlend hondje onder mijn huiswerk/proefwerk aantrof. Smurfen, daar ging ik voor!) Ik hou niet van tussendoor van plan veranderen, maar nu heb ik het gevoel dat ik samen met mijn manuscript op een gapende afgrond af dender. ‘Kwaliteit in plaats van kwantiteit!’ brult elke vezel in mijn lichaam, terwijl ik aan de teugels trek in een verwoede poging om het op hol geslagen monster van galop naar draf te krijgen.

Ik ben Bloedwetten en Bloedwetten dat ben ik en momenteel voel ik me niet happy, want ik haal niet wat ik doorgaans uit het schrijven haal: de verwondering, de magie van de woorden die zich schijnbaar uit het niets aan elkaar breien. Ik had verwacht dat nano dat heerlijke gevoel zou aanwakkeren, maar het lijkt het juist te onderdrukken. Boven alles komt mijn twijfel voort uit het gevoel dat het ijltempo mijn boek geen goed doet, dus ik ga zeer waarschijnlijk een stap terugdoen uit naam van Bloedwetten.

Mijn voornaamste doel heb ik immers al bereikt: het terugvinden van mijn schrijfroutine. Nu die weer in mijn systeem zit, zal ik het niet snel laten gaan. Bloedwetten II zal het licht zien, misschien niet in de vorm van een manuscript dat op 30 november 50.000 woorden is toegenomen, maar dat het boek er komt staat vast. Nu nog een goede titel verzinnen in plaats van ‘Deel II’. Daar ga ik eens rustig over nadenken bij een kop thee.

Gepost op

NaNoWriMo2015: De Uitdaging

Dit jaar doe ik voor het eerst met NaNoWriMo (National Novel Writing Month). Voor wie daar niet mee bekend is: iedere november gaan duizenden schrijvers wereldwijd collectief uit hun plaat door de uitdaging aan te gaan om 50.000 woorden gedurende de maand november te schrijven. Dat houdt in dat je minimaal 1667 woorden per dag moet produceren om op schema te blijven.

‘Yeah, right, 1667 woorden per dag, is dat veel?’ vraagt de niet-schrijver zich af? Even ter vergelijking als ik aan een boek of verhaal werk, schrijf ik meestal rond de 1000 woorden per schrijfavond. Een gemiddelde roman telt rond de 80 à 90.000 woorden. Bloedwetten is 130.000 woorden rijk en daar heb ik in totaal anderhalf jaar aan geschreven (inclusief een ontelbaar aantal drafts voor sommige scènes).

Dus ja, 1667 woorden per dag schrijven is in mijn geval een behoorlijke uitdaging. Voor mij is de voornaamste reden om deel te nemen mijn schrijfflow terugvinden. Tot die eerste november jongstleden – toen het hele spektakel van start ging – was het een jaar geleden dat ik aan iets nieuws werkte. Mijn inzending voor de Fantastels verhalenwedstrijd was het laatste nieuwe werk dat er uit mijn handen kwam. Er is bijna een heel jaar gaan zitten in Bloedwetten afwerken en publiceren.

En nu heb ik me dus ein-de-lijk op deel II van Bloedwetten kunnen storten, een verhaal dat ik langer dan een jaar met me meedraag. Allemaal dankzij het voornemen om het er dit jaar eens op te wagen en een nanospurt te trekken.

Maar waarom jezelf dwingen? Schrijven ís voor het grootste deel jezelf dwingen. Inspiratie moet je afdwingen. Het is de aloude kwestie van butt in chair en schermstaren, een woord bij zijn kladden grijpen en beginnen. Nano is niet anders dan wat ik doorgaans doe als ik aan een boek werk: gaan zitten en doen. That’s all there is to it. Eerlijk waar. Woord na woord, draft na draft, net zolang tot je jezelf en je personages wel kan schieten. Maar als die flow er eenmaal is, is er niets wat in de buurt komt van die heerlijkheid van woorden die uit je vingertoppen vloeit. Elke schrijver zal beamen dat dat gevoel verslavend is en het is een van de redenen dat je er steeds weer voor gaat zitten.

Alles wat ik maak komt voort uit mijn hart, maar schrijven gaat nog dieper. Schrijven komt uit mijn ziel en om je zielenwoorden te vinden moet je diep graven. Soms enorm diep, dieper dan je lief is, dieper dan comfortabel is. Maar schrijven hoeft niet comfortabel te zijn. Schrijven gaat om je grenzen verleggen, met elk verhaal opnieuw, groeien, kleine stukjes van jezelf bijeen sprokkelen via de stem van je personages. En als de woorden niet goed zijn, dan schrijf je nieuwe, net zo lang tot het wel goed is. Om het ook daadwerkelijk te doen zet je een stok achter de deur. Deze maand is die stok voor mij nano.

Ga ik het halen? Geen idee. Eén schrijfloze dag gooide onlangs al roet in het eten. Ik ben inmiddels weer op schema na een heel weekend onafgebroken schrijven en heel veel schermstaren.

Misschien helpt het dat ik een extra stok achter de deur heb: als ik de 50.000 woorden haal, mag ik van mezelf een nieuw paar schoenen kopen. Dat moet toch zeker helpen om vlijtig door te pennen?*

Ik wens iedereen die met nano meedoet enorm veel succes. Soms tegen je computer gillen mag best, je haren uit je kop rukken of jezelf belonen met een zak chips of stuk taart omdat je helemaal niets geschreven hebt, mag ook. Maar wat je ook doet, blijft met die butt in die chair zitten tot je de 50.000 woorden (of wat je doel ook moge zijn) hebt geschreven. Je kan het!

De belangrijkste vraag is aan het eind van dit blog natuurlijk nog niet beantwoord: tellen de woorden uit dit stukje nu wel of niet mee voor nano?

*En wie hou ik voor de gek? Dat nieuwe paar schoenen komt er toch wel.